Vernieuwde stikstofregels: goede balans tussen economische ontwikkeling en natuurherstel

De provincie Utrecht heeft met de vaststelling van vernieuwde stikstofregels een belangrijk stap gezet in de aanpak van de stikstofproblematiek. De aanpak gaat uit van de goede balans tussen economische ontwikkeling en natuurherstel.

Aanpassing van de beleidsregels voor het verlenen van stikstofvergunningen vanuit de Wet natuurbescherming was nodig om een verschil van inzicht tussen de provincies en het Rijk weg te nemen. Ook sluiten de vernieuwde regels beter aan op de praktijk. De regels zijn vanaf 13 december 2019 van kracht geworden en bieden de kaders waarbinnen vergunningverlening mogelijk is voor activiteiten die stikstof uitstoten.

Twee manieren

De regels hebben geen effect op bedrijven die hun bedrijfsvoering voortzetten zonder wijziging of vernieuwing waarvoor een nieuwe Wnb-vergunning nodig is. Deze bedrijven kunnen hun vergunde situatie onverminderd voortzetten. Bedrijven die wél een vergunning nodig hebben voor een wijziging in de bedrijfsvoering, kunnen op twee manieren aan de eisen voldoen. Het is mogelijk te kiezen voor intern- of extern salderen (of een combinatie van beide). Intern salderen betekent dat een bedrijf stikstofruimte vrijmaakt binnen het eigen bedrijf, bijvoorbeeld door te kiezen voor verduurzaming. Bij extern salderen neemt een bedrijf (of ander initiatief) stikstofruimte over van een vergunde activiteit die voor een deel of volledig stopt.

Intern saladeren

Bij intern salderen is het uitgangspunt dat binnen een bedrijf wordt gekeken hoe een toename van stikstofuitstoot, bij het aanpassen of uitbreiden van de bedrijfsvoering, voorkomen wordt. In de vernieuwde beleidsregels nemen provincies en Rijk de daadwerkelijk gerealiseerde capaciteit als uitgangspunt voor intern salderen.

Een uitzondering op de regelgeving voor intern salderen is mogelijk als een bedrijf aantoonbare stappen heeft gezet om de totale vergunningsruimte te vullen. De uitzonderingspositie geldt ook voor bedrijven die innovatieve stikstofemissie-reducerende technieken toepassen. Daarnaast geldt een aparte positie voor projecten die noodzakelijk zijn voor de realisatie van doelen in een Natura 2000-gebied. De laatste uitzonderingspositie is voor ontwikkelingen van algemeen belang of voor de nationale veiligheid, zoals de versterking van dijken.

In de voormalige beleidsregels bleek de koppeling met dier- en fosfaatrechten voor verwarring te zorgen. Deze koppeling is voor intern salderen losgelaten. Het is dus niet relevant of een boer de dierrechten voor het vullen van zijn varkensstal heeft, hij mag deze stal sowieso inzetten voor intern salderen.

Extern saladeren

Bij extern salderen geldt ook de feitelijke gerealiseerde ruimte als uitgangspunt. Dit is een wijziging ten opzichte van de eerder vastgestelde beleidsregels. De gerealiseerde ruimte mag een bedrijf dat stopt met activiteiten (saldogever) overdragen aan een initiatief dat stikstofruimte nodig heeft (saldonemer). Indien bijvoorbeeld een fabriek een productiehal heeft vergund met drie productielijnen en er daarvan feitelijk pas twee zijn opgezet, kan de fabriek de vergunde stikstofdepositie die behoort bij deze twee productielijnen overdragen middels extern salderen. De saldonemer mag 70 procent van de overgenomen stikstofruimte benutten. De overige 30 procent komt ten goede aan de natuur, evenals de eventueel niet-gerealiseerde capaciteit van de vergunning. In het genoemde praktijkvoorbeeld betekent dit dat als de depositie van de twee productielijnen op een stikstofgevoelige hectare natuurgebied 10 mol/jaar betreft, het ontvangende bedrijf stikstof mag uitstoten tot maximaal 7 mol/jaar neerslag op diezelfde hectare. De overige 3 mol/jaar daalt de depositie in het gebied en komt dus ten goede aan de natuur.

Het extern salderen met veehouderijen met dier- of fosfaatrechten is nog niet mogelijk totdat de Minister van LNV de wettelijke koppeling heeft gelegd die zij hiervoor voorziet.

Gebiedsprocessen

Provincies gaan ook aan de slag met zogenoemde gebiedsprocessen. Het moet de komende tijd duidelijk worden op welke wijze daling van stikstofdepositie in natuurgebieden exact vorm gaat krijgen. Daar kijkt de provincie per gebied naar. Per gebied moet de dalingsopgave bepaald worden en helder worden waar kansen en onmogelijkheden liggen om daling te bereiken. Daarbij wordt integraal gekeken met andere gebiedsopgaven en worden alle activiteiten onder de loep genomen waarbij stikstof vrijkomt.

Rol provincie

De provincie heeft als bevoegd gezag voor vergunningverlening van natuurvergunningen een belangrijke rol bij de reductie van stikstof. Een aanpak van stikstof is nodig, omdat te veel neerdalen van stikstof uit de lucht negatieve effecten heeft op de natuur. Planten hebben weliswaar stikstof nodig om te groeien, maar bij te hoge waarden komt de biodiversiteit in gevaar.

Voor persinformatie:
ruben.kroeze@provincie-utrecht.nl06 - 40 97 18 49(030) - 258 20 60

Voor algemene vragen over de provincie Utrecht:
info@provincie-utrecht.nl(030) 258 91 11