Regelgeving: Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2007

Hier vindt u alle geldende regelingen; verordeningen en beleidsregels van het provinciebestuur van Utrecht.

Functies bij deze pagina

Subnavigatie

Regelgeving: Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2007

Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2007

Deze regeling is geldig sinds 3 juni 2007 tot 26 maart 2011

In deze regelgeving

Wettechnische informatie

Gegevens van de Regeling

Type overheidsorganisatieprovincie
Naam overheidsorganisatie (creator):Utrecht
Websitehttps://www.provincie-utrecht.nl/
Citeertitel van de regelingBeleidsregels wateren provincie Utrecht 2007
Officiële naam regelingBeleidsregels van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 april 2007, nr. 2007REG000919i inzake handhaving van de verboden met betrekking tot wateren
Afkorting van de naam van de regeling 
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerp van de regelingnatuur en landschap, vergunningen/ontheffingen, waterwegen
Datum tot wanneer (een versie van) de regeling geldig is26 maart 2011
Bron

Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, hoofdstuk III

Gedelegeerde regelgeving

Geen.

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling vervangt de Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2006.

Deze beleidsregel is vervangen door: Landschapsverordening provincie Utrecht 2011.

Datum van inwerkingtreding van deze versie3 juni 2007
Datum terugwerkende kracht van deze versie 
Betreft (aard van de regeling/wijziging)nieuwe regeling
Datum ondertekening regeling17 april 2007
Datum bekendmaking26 mei 2007
Vindplaats bekendmakingProvinciaal blad, 2007, 20
Datum ondertekening inwerkingtredingbesluit17 april 2007
Vindplaats bekendmaking inwerkingtredingbesluitProvinciaal blad, 2007, 20
Kenmerk2007REG000919i

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

InwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreft (aard van de regeling/wijziging)Datum ondertekening
Vindplaats bekendmaking
Datum ondertekening inwerking-tredingbesluit
Vindplaats bekendmaking inwerkingtredingbesluit
Kenmerk voorstel
3 juni 2007 nieuwe regeling17 april 2007
Provinciaal blad, 2007, 20
17 april 2007
Provinciaal blad, 2007, 20
2007REG000919i

Regeling

Beleidsregels van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 april 2007, nr. 2007REG000919i inzake handhaving van de verboden met betrekking tot wateren (Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2007)

Gedeputeerde staten van Utrecht;

Gelet op hoofdstuk III van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996;

Besluiten:

Artikel 1. Ligplaatsen van woonschepen/ontheffingen

Bij het vaststellen van de maten van een woonschip, bedoeld in artikel 7e van de verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, worden onderwatercasco’s en al hetgeen onder of boven water vast met het woonschip is verbonden meegerekend, onverminderd het derde lid van dat artikel. 

Artikel 2. Ligplaatsen van woonschepen/handhaving

  • 1. Woonschepen die sinds 1 januari 1989 ononderbroken eenzelfde ligplaats hebben die nu in strijd is met artikel 7c van de verordening, worden daar gedoogd.
  • 2. Met betrekking tot woonschepen die na 1 januari 1989 ligplaats hebben ingenomen waar dat nu in strijd is met artikel 7c van de verordening, wordt bestuursdwang toegepast. De begunstigingstermijn is hierna met betrekking tot het betreffende jaar aangegeven:
    • - 1989 – 1997: drie jaar,
    • - 1998 – 2002: achttien maanden,
    • - 2003: drie maanden.
    • - 2004 e.v.: de kortste redelijke termijn.
  • 3. Een gedoogbeschikking kan worden ingetrokken en een begunstigingstermijn kan worden verkort indien voor het betreffende woonschip een (wissel)ligplaats beschikbaar komt in overeenstemming met de verordening.

Artikel 3. Aanlegplaatsen voor woonschepen

Indien een haven of aanlegplaats nu aanwezig is in strijd is met artikel 7j van de verordening en indien daarin of daarbij een woonschip ligplaats heeft waarop artikel 2 van deze beleidsregels van toepassing is, wordt voor de haven of aanlegplaats dezelfde gedoog- of begunstigingstermijn vastgesteld als voor het woonschip. De desbetreffende besluiten worden op hetzelfde moment bekend gemaakt. 

Artikel 4. Voorzieningen bij aanlegplaatsen voor woonschepen

  • 1. Voor met een haven of aanlegplaats voor een woonschip verband houdende voorzieningen als bedoeld in de artikelen 7g juncto 7j van de verordening wordt op aanvraag ontheffing verleend:
    • a. indien er al een ontheffing voor de aanlegplaats geldt,
    • b. voor ten hoogste de geldingstijd van de onder a bedoelde ontheffing en
    • c. indien de voorziening niet hoger is dan een meter boven het maaiveld.
  • 2. Voor zover, onverminderd de onderdelen a en b van het eerste lid, voorzieningen hoger zijn dan een meter boven het maaiveld, kan op aanvraag ontheffing worden verleend indien zij:
    • a. bestaan uit niet meer dan één bouwwerk dat positief bestemd is in een bestemmingsplan, en
    • b. het doorzicht tussen de openbare weg en het water niet belemmeren.
  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:
    • a. op voorzieningen op, in of boven het water bij de haven of aanlegplaats die niet noodzakelijk zijn als afmeervoorziening;
    • b. in uiterwaarden.
  • 4. Indien geen ontheffing is of kan worden verleend, worden voorzieningen verwijderd. De begunstigingstermijn wordt per geval vastgesteld.

Artikel 5. Voorwerpen in het water bij woonschepen

Voor voorwerpen die bij een woonschip in het water zijn geplaatst als bedoeld in artikel 7h van de verordening, wordt geen ontheffing verleend. Geplaatste voorwerpen worden verwijderd. De begunstigingstermijn wordt per geval vastgesteld.

Artikel 6. Ligplaatsen voor andere vaartuigen

Voor de toepassing van artikel 7, onderdeel b, van de verordening kan een oever die van een woning, zomerwoning, woonwagen of woonschip wordt gescheiden door:

  • - een openbare weg of
  • - een ander perceel, tenzij dat perceel een agrarische of industriële bestemming heeft; deel uitmaken van de woonomgeving als bedoeld in dat onderdeel en daarmee van een erf als bedoeld in artikel 7h, vierde lid, van de verordening.

Artikel 7.

Indien een vaartuig aanwezig is in strijd met artikel 7h van de verordening sinds een datum voor 1 januari 2004 en indien tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom is besloten, is de termijn, bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, dan wel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

  • a. voor recreatievaartuigen: ten hoogste 6 maanden,
  • b. voor bedrijfsvaartuigen: ten hoogste 3 maanden.

Artikel 8. Aanlegplaatsen voor andere vaartuigen

  • 1. Indien aan een ontheffing of vrijstelling van het verbod een aanlegplaats te hebben, bedoeld in artikel 7j van de verordening, het voorschrift is verbonden dat die aanlegplaats niet groter is dan door de water- of vaarwegbeheerder bij algemeen verbindend voorschrift is bepaald en er sinds ten laatste 1 januari 2004:
  • a. een overschrijding is van niet meer dan 50 %, dan kan eenmalig een tijdelijke, persoonsgebonden en niet overdraagbare ontheffing worden verleend tot en met 31 december 2013;
  • b. een overschrijding is van meer dan 50 %, dan wordt die opgeheven, zonodig met toepassing van bestuursdwang, maar kan de provincie de kosten daarvan vergoeden dan wel voor haar rekening laten.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanlegplaatsen voor woonschepen.

Artikel 9. Handhaving overig

  • 1. In de niet in de artikelen 1 tot en met 8 bedoelde gevallen worden havens en aanlegplaatsen, daarmee verband houdende voorzieningen en in het water geplaatste voorwerpen verwijderd als daarvoor geen ontheffing of vrijstelling geldt of kan worden verleend. Indien de desbetreffende objecten al voor 1 januari 2004 aanwezig waren, kan de provincie de kosten van de verwijdering vergoeden dan wel voor haar rekening laten.
  • 2. Voor zover in deze beleidsregels niet anders is bepaald, is met betrekking tot de verwijdering van toepassing de op dat moment geldende Handhavingsstrategie van de provincie Utrecht.

Artikel 10. Slotbepalingen

Een gedoogbeschikking kan niet worden overgedragen aan een andere persoon en geldt niet voor een vervangend object.

Artikel 11.

De Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2006, besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 20 juni 2006, nr. 2006REG001372i, worden ingetrokken.

Artikel 12.

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels wateren provincie Utrecht 2007.

Aldus besloten in de vergadering van17 april 2007.
Voorzitter, B.Staal Secretaris, H.H. Sietsma

Toelichting op de regeling

Algemeen

Verordening bescherming Natuur en Landschap HIII Wateren. Sinds 1963 voert de provincie op basis van een landschapsverordening, de Woonschepenverordening provincie Utrecht, een handhavings- en ontheffingenbeleid met betrekking tot het innemen van ligplaatsen door woonschepen en sinds 1971 in beperkte mate ook voor het treffen van voorzieningen daarvoor. In 2002 hebben PS nieuw woonschepenbeleid vastgesteld in de vorm van de Notitie Woonschepenbeleid 2002-2012 (hierna de Notitie). Als gevolg van de hieruit voortvloeiende beleidsvoornemens is de laatste Woonschepenverordening opgenomen in de Verordening bescherming natuur en landschap, hoofdstuk III Wateren (hierna VNL). Uitgangspunt van de VNL is het voorkomen van ontoelaatbare aantasting van natuur, landschap en cultuurhistorische en archeologische waarden. In hoofdstuk III (wateren) van de VNL zijn daartoe regels opgenomen ter bescherming van de genoemde waarden.

Deze regels hebben betrekking op:

  • - woonschepen en hun ligplaatsen in het water (artikel 7c en 7e);
  • - andere vaartuigen en hun ligplaatsen (artikel 7h);
  • - voorwerpen in en op het water, zoals zelfstandige of bij een woonschip of bij een ander vaartuig behorende vlotten, meerpalen e.d., (artikel 7h);
  • - havens en aanlegplaatsen op de wal, voor woonschepen of voor andere vaartuigen (artikel 7g / 7j);
  • - bij havens en aanlegplaatsen behorende voorzieningen, zoals vlotten, meerpalen, steigers, hekken enz. (artikel 7g / 7j).

De VNL borduurt daarmee voort op de oude Woonschepenverordening, maar bevat ook nieuwe verboden. Het in de laatste woonschepenverordening van 1978 opgenomen verbod op “het treffen van voorzieningen op en aan de oever ter hoogte van de ligplaats” (artikel 5 lid 1 en 3) is in de VNL in artikel 7g juncto 7j vervat (met de aanlegplaats verband houdende voorzieningen), maar ook in artikel 7h (voorwerpen in het water). Artikelen 1 t/m 5 van de beleidregels hebben hierop betrekking en gaan dus over de uitvoering van beleid dat al sinds 1971 van kracht is. Nieuw in de VNL zijn de verboden ten aanzien van andere vaartuigen en hun ligplaatsen, havens en aanlegplaatsen bij andere vaartuigen en voorwerpen in het water op zichzelf of behorend bij een ander vaartuig (dus niet behorend bij een woonschip). Deze verboden zijn pas van kracht sinds 7 oktober 2002.

Voor elk van de verboden in de VNL is een ontheffing mogelijk of kan handhaving noodzakelijk zijn. Beleidsregels zijn er onder meer voor de afweging van belangen bij de uitvoering van wettelijke regelingen. In dit geval bleek een uitdrukkelijke belangenafweging wenselijk voor alle situaties die zich met betrekking tot woonschepen, andere vaartuigen en voorwerpen voordoen. In deze beleidsregels worden die afwegingen in de hierboven aangegeven volgorde gemaakt. De zelfstandig voorkomende situaties: “woonschepen” en “andere vaartuigen” worden afzonderlijk behandeld. Binnen beide situatie wordt vervolgens de ondervolgorde: ligplaats, aanlegplaats, voorzieningen bij de aanlegplaats en voorwerpen in het water aangehouden. Tenslotte wordt binnen elke ondersituatie de volgorde: ontheffing en handhaving aangehouden. De eerder vastgestelde Beleidsregels handhaving Hoofdstuk III Wateren, inzake woonschepen, vaartuigen en drijvende voorwerpen op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (GS 8 juni 2004 en 20 juni 2006) zijn in deze beleidsregels opgenomen. De beleidsregels moeten een effectieve, consequente en samenhangende beleidsuitvoering mogelijk maken.

In het vervolg van deze toelichting zal allereerst het beleidsmatige kader worden geschets, onderverdeeld in “woonschepen” en “vaartuigen en voorwerpen”. Ten slotte volgt een artikelsgewijze toelichting van de beleidsregels.

Woonschepen

Woonschepen zijn opvallende elementen in het landschapsbeeld vanwege hun ligging aan de waterkant. Woonschepen verbreken daardoor dikwijls de openheid van het gebied en daarmee het contact tussen het water en de oever. Het landschap kan hierdoor minder beleefd worden. Het afmetingenbeleid voor woonschepen en de vaste onderlinge afstand tussen deze woonschepen beogen (het zicht op) het water respectievelijk de oever zoveel mogelijk in stand te laten en te herstellen door de lengte van woonschepen aan een vaste maat te binden. Voor het herstel van de doorzichten is in de VNL tevens een “krimpartikel” opgenomen, waarbij grotere lengten dan nu toegestaan moeten worden ingeleverd bij een eerste wijziging aan het schip. Doorzichten en doorkijkjes worden echter niet behouden of hersteld als hoge obstakels zoals erfafscheidingen, beplantingen en hagen op de oever bij de woonschepen het zicht op het water (blijven) blokkeren. Daarnaast is er ook een steeds toenemende wildgroei van voorwerpen in het water rondom het woonschip (steigers / terrassen, vlonders, pontons al dan niet met opstal) die het water en/of de oever aan het zicht onttrekken. Soms zijn er ook nog één of meerdere grotere vaartuigen bij het woonschip afgemeerd. Deze optelsom leidt tot een toenemende verrommeling van het omringende landschapsschoon en aantasting van de visuele belevingswaarde van een gebied. Het daarmee samenhangende, dikwijls sluipenderwijs, in gebruik nemen van water en oever leidt ook tot een steeds grotere aanslag op flora en fauna in de belangrijke overgangszone tussen nat en droog. Deze onaanvaardbare aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarde was één van de redenen voor provinciale staten om de verordening op dit punt aan te scherpen en in de Notitie al uit te spreken dat in ieder geval geen ontheffingen voor voorwerpen in het water zouden worden verleend. Sinds 2002 wordt in beschikkingen op grond van de VNL opgemerkt dat voor het oevergebruik bij woonschepen beleid in ontwikkeling is en dat dit op een later moment consequenties kan hebben voor de aanwezige voorzieningen. Dit besluit bevat de aangekondigde beleidsregels. Hierin wordt onder andere aangegeven hoe wordt omgegaan met de in de Woonschepenverordening en later in de VNL opgenomen verboden ten aanzien van voorzieningen bij woonschepen, zodat een inhaalslag kan worden gemaakt in de ontheffingverlening en handhaving van dergelijke voorzieningen. In de beleidsregels is tevens opgenomen hoe wordt omgegaan met ligplaatsen van woonschepen die niet kunnen worden gelegaliseerd.

Vaartuigen en voorwerpen

In de loop der jaren is er een wildgroei ontstaan aan steigers, afgemeerde recreatievaartuigen en andere voorwerpen, zoals vlotten, meerpalen, vlonders ed. in het water. De aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarde is veelal onaanvaardbaar en vergelijkbaar met de aantasting door woonschepen. Daarom zijn er, gelijktijdig met het nieuwe woonschepenbeleid, ook regels voor andere vaartuigen, hun ligplaats, hun aanlegplaats op de wal en/of daarbij behorende voorzieningen en voor voorwerpen in het water in de VNL opgenomen.
In de VNL en het Vrijstellingsbesluit provincie Utrecht 2006 zijn de criteria weergegeven van de situaties die de genoemde waarden niet onaanvaardbaar schaden. Het algemene uitgangspunt daarbij is dat daarvan afwijkende situaties in beginsel een onaanvaardbare aantasting van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke, en cultuurhistorische waarde met zich meebrengen en daarvoor geen ontheffing kan worden verleend. De beleidsregels voor vaartuigen en voorwerpen gelden voor deze afwijkende situaties. Er is onderscheid tussen situaties voor en na de peildatum van 1 januari 2004. Redenen hiervoor zijn dat de verbodsbepalingen ten aanzien van vaartuigen, aanlegvoorzieningn bij vaartuigen en voorwerpen in en op het water, op zichzelf of behorend bij een vaartuig, op die datum een jaar van kracht waren (sinds 7 oktober 2002) en verwacht kan worden dat men hiervan op de hoogte was; bovendien waren op 1 januari alle aanwezige recreatievaartuigen en aanlegvoorzieningen d.m.v. luchtfoto’s in kaart gebracht en vastgelegd. De peildatum markeert het onderscheid tussen situaties die vóór de inwerkingtreding van de verbodsartikelen van hoofdstuk III VNL al aanwezig waren en situaties die daarna zijn ontstaan.

Sinds 2005 is het beleid gericht op het "schoonmaken" en "schoonhouden" van natuur en landschap in en rondom wateren. In dit verband is gestart met de planmatige handhaving door middel van de inhaalactie “Schoon Schip” gericht tegen de hierboven genoemde illegale situaties in het buitengebied van de provincie. Omdat er een groot aantal illegale situaties in het buitengebied van de provincie zijn aangetroffen is er met het oog op de beperkte middelen voor gekozen eerst tegen de meest ernstige gevallen op te treden.

Overgangsrecht 2003

Het huidige hoofdstuk III van de Verordening bescherming natuur en landschap is in werking getreden op 24 januari 2003. In artikel II van de wijziging (besluit van 10 september 2002, prov. blad 2003, 4) zijn voor woonschepen als overgangsregels gegeven dat toen al geldende ontheffingen van kracht blijven en dat toen aangevraagde ontheffingen met inachtneming van de oude regeling zouden worden afgehandeld. Voor havens en aanlegplaatsen zou na dertien weken een ontheffing volgens de nieuwe regels moeten zijn verleend of aangevraagd. Krachtens artikel 8, zesde lid, van de verordening kan een ontheffing alleen worden gewijzigd als gewijzigde inzichten of omstandigheden dat vergen. Deze beleidsregels zijn dus niet van toepassing op de oude situaties waarvoor krachtens dit overgangsrecht een ontheffing geldt.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Ligplaatsen van woonschepen/ontheffingen

Wijze van meten Alles dat vast, dat wil zeggen constructief, is verbonden met het woonschip, zoals terrassen, vlotten e.d. of een aangekoppeld (onderwater)casco met bijvoorbeeld een terras worden meegerekend bij het vaststellen van de maten van het woonschip. Bestaande aankoppelingen waarvoor al eerder ontheffing is verleend vervallen bij een eerste wijziging of vervanging van het woonschip overeenkomstig artikel 7f, lid 2 van de VNL . Voor genoemde situaties kan slechts ontheffing worden verleend als de maten in artikel 7e lid 1 van de VNL niet worden overschreden.

Artikel 2 Ligplaatsen van woonschepen/handhaving

Legalisatie ligplaatsen woonschepen. Bij bestaande illegale situaties moet eerst vastgesteld worden of legalisatie mogelijk is. Het gaat hierbij primair om een regeling in een bestemmingsplan. Er is sprake van zicht op legalisatie indien aannemelijk is dat een ligplaats op basis van zowel gemeentelijk als provinciaal ruimtelijk beleid positief bestemd kan worden. Eventueel kan hierop vooruitgelopen worden middels een vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening.

Artikel 2, eerste lid

Woonschepen die sinds 1989 ononderbroken dezelfde ligplaats innemen. Van groot belang is de keuze om alleen af te zien van handhavend optreden indien het woonschip op dezelfde locatie ononderbroken ligplaats inneemt sinds 1 januari 1989. Deze termijn is afgeleid van hetgeen in de Notitie Woonschepenbeleid bepaald is met betrekking tot de status van de categorie "ligplaatsen zonder ontheffing gedoogd". Enerzijds is er sprake van een stringent handhavingsbeleid, anderzijds wordt het gebruik als woning als een zwaarwegend belang aangemerkt. Met de aanduiding “ononderbroken” wordt aangegeven dat de ligplaats voortdurend is gebruikt als hoofdverblijf. Onderbrekingen voor werfbezoek en vaartochten van beperkte duur blijven buiten beschouwing. Met de aanduiding “op dezelfde locatie” wordt aangegeven dat beperkte wijzigingen van de ligplaats binnen de betreffende locatie buiten beschouwing blijven. Daarbij valt te denken aan het wisselen van met name varende (woon)schepen binnen een bestaand lint van schepen en wijzigingen van enkele meters bij het afmeren op de bestaande ligplaats. Er is in ieder geval geen sprake van “dezelfde locatie” indien het woonschip is verplaatst binnen een gemeente naar een andere vaarweg of water, of naar een andere gemeente.

Nadere voorwaarden. Als vaststaat dat het woonschip voldoet aan de gestelde eisen dan kan een gedoogbeschikking worden afgegeven. Aan deze gedoogbeschikking voor de ligplaats van het woonschip kunnen ook nadere voorwaarden worden verbonden met betrekking tot de aanlegplaats en de voorzieningen voor het woonschip. Het zal daarbij vaak gaan om voorzieningen die gelet op de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden onaanvaardbaar zijn. Te denken valt aan (zeer) hoge schuttingen, omvangrijke verhardingen en/of vlonders. Het kan wenselijk zijn dergelijke excessen op kortere termijn te beëindigen.

Artikel 2, tweede lid

Begunstigingstermijn. Voorzover een woonschip korter dan 15 jaar ligplaats inneemt wordt handhavend opgetreden. Daarbij wordt –gelet op het belang om elders een alternatieve ligplaats te vinden dan wel andere woonruimte te betrekken- gekozen voor een ruime begunstigingstermijn. Hoe langer de ligduur, hoe ruimer deze termijn. Een termijn van 3 maanden tot maximaal 3 jaar is ruim voldoende om te kunnen voorzien in (voorlopige) alternatieve huisvesting.

Artikel 2, derde lid

Verplaatsing naar wisselligplaats. Indien voor een gedoogd woonschip elders een wisselligplaats beschikbaar komt die redelijkerwijze niet geweigerd kan worden, zal de bestaande (gedoog)beschikking voor de illegale ligplaats vervallen en opnieuw worden verleend voor de wisselligplaats. Daarmee blijft het mogelijk om het woonschip op een eerder tijdstip te verplaatsen en de bestaande, ongewenste situatie te beëindigen. De verplaatsing betekent niet dat het gedoogde woonschip wordt gelegaliseerd. De wisselligplaats is alleen bedoeld voor de resterende gedoogperiode.

Artikel 3 Aanlegplaatsen voor woonschepen

Aanlegplaats en woonschepenligplaats één geheel. Bij bestaande havens en aanlegplaatsen met voorzieningen wordt aangesloten bij de regels die van toepassing zijn op het woonschip waarvoor deze wordt gebruikt. Dit betekent dat woonschip, aanlegplaats en voorzieningen als één geheel wordt gezien en beoordeeld. Daarbij is uitdrukkelijk opgenomen dat indien de ligplaats wordt beëindigd en het betreffende woonschip verwijderd moet worden, dit ook geldt voor de bijbehorende haven of aanlegplaats, met inbegrip van de voorzieningen.

Artikel 4 Voorzieningen bij aanlegplaatsen voor woonschepen

Artikel 4, eerste lid:

Voorzieningen waarvoor ontheffing kan worden verleend. De met de aanlegplaats verband houdende voorzieningen zijn ondergeschikt aan de aanwezigheid van de ligplaats van het woonschip. Om deze reden wordt ontheffing voor met de aanlegplaats verband houdende voorzieningen – op aanvraag – slechts verleend indien reeds ontheffing is verleend voor de ligplaats en sluit de geldigheid van de ontheffing daarbij aan. Voorzieningen die niet hoger zijn dan één meter zullen het doorzicht tussen de openbare weg en het water niet belemmeren, zodat daarvoor een ontheffing van het verbod kan worden verleend. De noodzakelijke afmeervoorziening tussen de aanlegplaats en de ligplaats van het woonschip mits deze niet voorbij het woonschip uitsteekt wordt hiertoe ook gerekend. Dit zijn de afmeerpalen en de toegang naar de hoofdingang.

Artikel 4, tweede lid:

Op grond van het tweede lid kan in drie gevallen ontheffing worden verleend indien de met de aanlegplaats verband houdende voorziening hoger is dan een meter:

Bestemmingsplan. Wanneer in een geldend bestemmingsplan expliciet is bepaald dat bepaalde, tot de ligplaats behorende, voorzieningen op de tot de ligplaats behorende grond gerealiseerd mogen worden, kan hiervoor ontheffing worden verleend. In dit verband is ervoor gekozen de ruimtelijke afweging die reeds gemaakt is bij de totstandkoming van het bestemmingsplan te volgen.

Geen belemmering van het doorzicht. Voorts kan ontheffing worden verleend indien de voorziening het doorzicht tussen de openbare weg en het water niet belemmert.

Voorzieningen in het water. Vanwege de redenen zoals gemotiveerd in het algemene deel onder het kopje woonschepen worden in principe geen ontheffingen verleend voor voorzieningen in het water. Dit blijft wel mogelijk in de situatie dat het woonschip kleiner is dan de toegestane maximale afmetingen van 18,00 x 6,00 meter en de voorzieningen binnen deze maten blijven.

Uiterwaarden. De leden een en twee gelden niet in de uiterwaarden. Bij de beoordeling van aanvragen voor aanlegvoorzieningen bij een woonschepenligplaats met ontheffing, zal per concreet geval worden beoordeeld of ontheffing kan worden verleend. Hierbij is terughoudendheid het uitgangspunt.

Artikel 4, vierde lid:

Begunstigingstermijn. In afwijking van de Handhavingsstrategie grijze en groene regelgeving provincie Utrecht 2005 – 2008, vastgesteld door gedeputeerde staten bij besluit van 22 februari 2005, nr. 2005CGC000064i. zal per geval bij wijze van overgangsrecht naar redelijkheid een begunstigingstermijn worden bepaald. In tegenstelling tot artikel 8 van dit besluit worden geen kosten vergoed omdat het een inhaalslag betreft met betrekking tot een al langer geldend wettelijk voorschrift.

Artikel 5 Voorwerpen in het water bij woonschepen

Ontheffing voorwerpen rondom wonschepen geweigerd. Het gaat hier om voorzieningen die zich in het water rondom het woonschip bevinden. Deze worden aangemerkt als voorwerp op grond van artikel 7h. lid 1 van de verordening. In de Notitie is reeds uitgesproken dat voor dergelijke voorwerpen in principe geen ontheffing wordt verleend. Voorbeelden zijn pontons (drijfhekken), vlotten, drijvende terrassen, op palen boven het water gemonteerde terrassen, vlonders etc. Boven het water bevestigde terrassen of delen daarvan worden ook als voorwerp aangemerkt. De toelichting van artikel 4, lid 4 van deze beleidsregels is overeenkomstig van toepassing inzake de begunstigingstermijn. In tegenstelling tot artikel 9 van dit besluit worden geen kosten vergoed omdat het een inhaalslag betreft met betrekking tot een al langer geldend wettelijk voorschrift. Op basis van dit voorschrift uit de woonschepenverordening zouden genoemde voorwerpen als voorzieningen zijn aangemerkt.

Artikel 6 Ligplaatsen voor andere vaartuigen

Verruiming begrip erf . In de Verordening is een uitzonderingsbepaling (artikel 7h lid 4) opgenomen voor het afmeren van een open vaartuig tot 7 meter aan een erf. De Verordening definieert het begrip ‘erf’ als volgt: grond, behorend bij een woning of bij een in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke voorschriften aanwezige zomerwoning of woonwagen of bij een woonschip waarvoor een ontheffing geldt, en deel uitmakend van de woonomgeving. Er is sprake van woonomgeving als het betreffende perceel een woonbestemming heeft volgens het bestemmingsplan. In deze beleidsregels worden twee situaties onder de woonomgeving gebracht, hoewel strikt genomen geen sprake is van ononderbroken woonbestemming vanaf de woning tot aan het water:

  • 1. situaties waarin een openbare weg ligt tussen de woning en de oeverstrook
  • 2. situaties waarin de oeverstrook geen woonbestemming heeft; tenzij er sprake is van een agrarische of industriële bestemming. Deze twee situaties vallen hiermee onder de uitzonderingsbepaling van artikel 7h lid 4.

Artikel 7

Legalisatie ligplaatsen andere vaartuigen. Het gaat hierbij primair om de beoordeling of ontheffing kan worden verleend. Het dwingende karakter van artikel 1a lid 1 van de VNL biedt weinig ruimte om met andere belangen dan de belangen genoemd in dit artikel rekening te houden. In de VNL en het Vrijstellingsbesluit provincie Utrecht 2006 zijn de criteria weergegeven van de situaties die de genoemde waarden niet onaanvaardbaar schaden. Zoals eerder gezegd is het algemene uitgangspunt dat van deze criteria afwijkende situaties in beginsel een onaanvaardbare aantasting van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke, en cultuurhistorische waarde met zich meebrengen en daarvoor geen ontheffing kan worden verleend. In dergelijke situaties is het beleid erop gericht de vaartuigen en voorwerpen ongeacht de ligduur te verwijderen door middel van handhaving.

Begunstigingstermijn. De algemene begunstigingstermijn volgens de Handhavingsstrategie grijze en groene regelgeving provincie Utrecht 2005 – 2008 van maximaal 6 maanden zal doorgaans ruim voldoende zijn om elders ligplaats (of stalling) te vinden.

Kortere begunstigingstermijn voor bedrijfs- of handelsdoeleinden. Deze uitzondering betreft vaartuigen die hoofdzakelijk gebruikt worden voor bedrijfs- of handelsdoeleinden. Deze categorie betekent –mits gelegen buiten de daarvoor aangewezen plaatsen- doorgaans o.a. vanwege hun vaak zeer grote afmetingen een (zeer) ernstige aantasting van de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden. Gelet hierop en overeenkomstig de Handhavingsstrategie grijze en groene regelgeving provincie Utrecht 2005 – 2008 wordt het redelijk geacht voor deze categorie schepen een kortere begunstigingstermijn te hanteren, zodat deze op de kortst mogelijke termijn kunnen worden verwijderd.

Artikel 8

Legalisatie aanlegplaatsen andere vaartuigen. Het gaat hierbij om de beoordeling of ontheffing kan worden verleend. Het dwingende karakter van artikel 1a lid 1 van de VNL biedt weinig ruimte om met andere belangen dan de belangen genoemd in dit artikel rekening te houden. In de VNL en het Vrijstellingsbesluit provincie Utrecht 2006 zijn de criteria weergegeven van de situaties die de genoemde waarden niet onaanvaardbaar schaden. Zoals eerder gezegd is het algemene uitgangspunt dat van deze criteria afwijkende situaties in beginsel een onaanvaardbare aantasting van de natuurwetenschappelijke, landschappelijke, en cultuurhistorische waarde met zich meebrengen en dat daarvoor geen ontheffing kan worden verleend. In dergelijke situaties is het beleid erop gericht de aanlegplaatsen voor andere vaartuigen te verwijderen door middel van handhaving.
In de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen aanlegplaatsen aanwezig voor en na de peildatum van 1 januari 2004. Uitgangspunt is dat het onredelijk is om de kosten voor verwijdering voor rekening van de overtreder te laten als het gaat om aanlegplaatsen die voor de peildatum aanwezig waren. In die gevallen kan de provincie de kosten vergoeden of voor haar rekening laten.

Artikel 8, eerste lid

Handhaving. In het Vrijstellingsbesluit wateren provincie Utrecht 2006 is vastgelegd in welke situaties en onder welke voorwaarden aanlegplaatsen voor vaartuigen (met name recreatieschepen) zijn toegestaan. Voor de handhavingspraktijk zijn er drie mogelijke situaties wat betreft aanlegplaatsen:

A aanlegplaatsen die voldoen aan de vrijstelling deze aanlegplaatsen kunnen blijven.

B Aanlegplaatsen die niet voldoen aan de vrijstelling omdat op de betreffende locatie geen aanlegplaats is toegestaan. deze aanlegplaatsen worden verwijderd d.m.v. handhaving. C Aanlegplaatsen die wat betreft maatvoering niet voldoen aan de vrijstelling. -indien de overschrijding van de afmetingen meer dan 50% bedraagt, wordt de betreffende aanlegplaats tot de toegestane maten teruggebracht d.m.v. handhaving;

-indien de overschrijding minder dan 50% bedraagt, wordt eenmalig ontheffing verleend voor de betreffende aanlegplaats tot 31 december 2013. De ontheffing zal persoonsgebonden en niet overdraagbaar zijn. Na afloop van de ontheffing dient de aanlegplaats in overeenstemming te zijn (gebracht) met de toegestane maten.

Artikel 8, tweede lid

Aanlegplaatsen woonschepen uitgezonderd. Voor de handhaving van aanlegplaatsen van woonschepen geldt artikel 3.

Artikel 9 Handhaving overig

Net als in voorgaand artikel 8 zal in de overige gevallen in het geval van handhaving rekening worden gehouden met de aanwezigheid op de peildatum. Het gaat dan met name over voorwerpen in het water op zichzelf of behorend bij een vaartuig. Voorbeelden van dergelijke voorwerpen zijn pontons (drijfhekken), vlotten, drijvende terrassen, op palen boven het water gemonteerde terrassen, vlonders, boatsavers al dan niet bevestigd aan afmeerpalen etc. Voorwerpen, niet zijnde een aanlegplaats of aanlegvoorziening (waarbij een boatsaver niet als zodanig gezien wordt) zijn uit landschappelijk oogpunt onaanvaardbaar. Het verbod op voorwerpen in de VNL wordt dus onverkort gehandhaafd. In het geval van vergoeding van de kosten moet voor de verwijdering overeenstemming zijn over de verwijderingskosten.

Versies van deze regeling

Deze regeling heeft geen andere versies