Regelgeving: Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht

Hier vindt u alle geldende regelingen; verordeningen en beleidsregels van het provinciebestuur van Utrecht.

Functies bij deze pagina

Subnavigatie

Regelgeving: Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht

Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht

Deze regeling is geldig sinds 1 januari 2011 tot 22 februari 2011

In deze regelgeving

Wettechnische informatie

Gegevens van de Regeling

Type overheidsorganisatieprovincie
Naam overheidsorganisatie (creator):Utrecht
Websitehttps://www.provincie-utrecht.nl/
Citeertitel van de regelingUitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht
Officiële naam regelingBesluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 26 oktober 2010, nr. 2010INT264157, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht
Afkorting van de naam van de regelingILG
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerp van de regelingagrarische zaken, milieu, natuur en landschap, subsidies
Datum tot wanneer (een versie van) de regeling geldig is22 februari 2011
Bron

Wet inrichting landelijk gebied, art. 4, lid 4

Wet inrichting landelijk gebied, art. 11, lid 3

Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art. 4

Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art. 28

Algemene wet bestuursrecht, art. 4:23

Gedelegeerde regelgeving

Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art. 4

 

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Datum van inwerkingtreding van deze versie1 januari 2011
Datum terugwerkende kracht van deze versie 
Betreft (aard van de regeling/wijziging)nieuwe regeling
Datum ondertekening regeling26 oktober 2010
Datum bekendmaking30 november 2010
Vindplaats bekendmakingProvinciaal blad, 2010, 76
Datum ondertekening inwerkingtredingbesluit26 oktober 2010
Vindplaats bekendmaking inwerkingtredingbesluitProvinciaal blad, 2010, 76
Kenmerk2010INT264157

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

InwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreft (aard van de regeling/wijziging)Datum ondertekening
Vindplaats bekendmaking
Datum ondertekening inwerking-tredingbesluit
Vindplaats bekendmaking inwerkingtredingbesluit
Kenmerk voorstel
5 juni 2012 art. 3, 46 maart 2012
Provinciaal blad, 2012, 24
6 maart 2012
Provinciaal blad, 2012, 24
80A9FE82
22 februari 2011 art. 1, 2, 415 februari 2011
Provinciaal blad, 2011, 8
15 februari 2011
Provinciaal blad, 2011, 8
2011INT267261
1 januari 2011 nieuwe regeling26 oktober 2010
Provinciaal blad, 2010, 76
26 oktober 2010
Provinciaal blad, 2010, 76
2010INT264157

Regeling

Gedeputeerde staten van Utrecht;

Gelet op de artikelen 4, vierde lid, en 11, derde lid van de Wet inrichting landelijk gebied;Gelet op de artikelen 4 en 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;Overwegende dat artikel 11, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied regeling vereist van de subsidies die de provincie zal verstrekken uit het Investeringsbudget landelijk gebied, en die als staatssteun zijn aan te merken of voor cofinanciering op grond van de Kaderverordening plattelandsontwikkeling in aanmerking worden gebracht;Voorts overwegende dat ook voor de verstrekking van andersoortige subsidies regeling nodig is op grond van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht;Besluiten de volgende uitvoeringsverordening vast te stellen:

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1 ALGEMEN BEPALINGEN 4

• ARTIKEL 1.1 BEGRIPSBEPALINGEN 4
• ARTIKEL 1.2 HOOGTE SUBSIDIE 5
• ARTIKEL 1.3 GEGEVENS AANVRAAG 6

HOOFDSTUK 2 THEMA NATUUR 6

• ARTIKEL 2.1 ONTPACHTING OP LANDGOEDEREN 6
• ARTIKEL 2.2 KWALITEITSVERBETERING NATUUR 7
• ARTIKEL 2.3 VERBETERING WATERKWALITEIT 12
• ARTIKEL 2.4 COMMUNICATIE, EDUCATIE EN ONDERZOEK TEN BEHOEVE VAN NATUUR EN  LANDSCHAP 14

HOOFDSTUK 3 LANDSCHAP EN CULTUURHISTORIE 16

• ARTIKEL 3.1 BEHOUD EN ONTWIKKELING VAN LANDSCHAPPELIJKE STRUCTUREN EN  ELEMENTEN 16
• ARTIKEL 3.2 PILOTS GROENBLAUWE DIENSTEN 18
• ARTIKEL 3.3 BEHOUD EN ONTWIKKELING VAN ERFGOED EN AARDKUNDIGE ELEMENTEN  20

HOOFDSTUK 4 SOCIAAL-ECONOMISCHE VITALITEIT 23

• AFDELING 4.1 LANDBOUWSTRUCTUURVERBETERING 23  

artikel 4.1.1 Kavelruil en landbouwstructuurverbetering 23
artikel 4.1.2 Technische maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid kavels 27
artikel 4.1.3 Brede banden 28
artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven 29
artikel 4.1.5 Verplaatsing intensieve veehouderij 32

• AFDELING 4.2 DUURZAME LANDBOUW 35

artikel 4.2.1 Pilots duurzaam ondernemen 35
artikel 4.2.2 Investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van het milieu in het Reconstructiegebied 38
artikel 4.2.3 Bedrijfsmodernisering 39
artikel 4.2.4 Projecten duurzame landbouw 41
artikel 4.2.5 Projecten duurzame energie 43

4.3 PLATTELANDSONTWIKKELING & LEEFBAARHEI• AFDELING D 46

artikel 4.3.1 Verbrede landbouw 46
artikel 4.3.1 Streekidentiteit 48
artikel 4.3.1 Leefbaarheid 50

• AFDELING 4.4 RECREATIE 52

artikel 4.4.1 Provinciale routenetwerken en toegankelijkheid 52
artikel 4.4.2 Toeristische ontwikkeling 55 
 

HOOFDSTUK 4 INZET GEBIEDSORGANISATIES 58

 artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties 58

BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN POP2-MAATREGELEN 61

BIJLAGE 2: LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN 62

 BIJLAGE 3: OVERZICHT VAN PROGRAMMABUREAU'S 64

BIJLAGE 4: TOETSINGSCRITERIA BIJ PRIORITERING VERPLAATSING INTENSIEVE VEEHOUDERIJ 65

TOELICHTING 66

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze uitvoeringsverordening wordt verstaan onder:

  • a. Asv: Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;
  • b. Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP): het  lattelandontwikkelingsprogramma 2007-2013 (afgekort POP2) is de invulling van de mogelijkheden die het Europese Plattelandsbeleid voor Nederland biedt. Het programma is gericht op:
    • - het versterken van de landbouwsector;
    • - het verbeteren van de natuur en het milieu;
    • - de leefbaarheid op het platteland en de diversificatie van de lattelandseconomie;
    • - LEADER;
  • c. Landbouwonderneming: kleine en middelgrote landbouwbedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten;
  • d. Micro-onderneming: een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen Euro niet overschrijdt;
  • e. Programmabureau: ondersteunend bureau werkzaam in elk van de 7 gebieden in het kader van Agenda Vitaal Platteland. Het programmabureau is het eerste aanspreekpunt voor subsidieaanvragers;
  • f. Gebiedsprogramma: meerjarig programma van de 7 gebieden in het kader van Agenda Vitaal Platteland. Het gebiedsprogramma geeft voor elk gebied zowel invulling aan de inhoudelijke doelen voor het gebied als de noodzakelijke middelen voor het realiseren daarvan;
  • g. Uitvoeringsprogramma: op basis van het gebiedsprogramma nadere uitwerking van doelen en middelen voor een periode van 1 kalenderjaar. Uitvoeringsprogramma’s worden voor 7 AVP gebieden opgesteld;
  • h. Voorbereidingskosten: kosten die gemaakt worden voorafgaand aan de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door Gedeputeerde Staten. Het gaat om kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeringsgereed maken van het project;
  • i. Kosten onvoorzien: het deel van de begroting dat gereserveerd wordt voor onvoorziene uitgaven;
  • j. Loonkosten eigen personeel: de loonkosten van het direct met het project belaste personeel bestaat uit de volgende 2 componenten:
    • - een uurtarief berekend op basis van de verzamelloonstaat van de betrokken projectmedewerker(s), exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, gedeeld door het aantal productieve uren;
    • - een opslag voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht en van leidinggevend personeel ten bedrage van maximaal 20% van het onder 1 bedoelde uurtarief;
      De werkzaamheden moeten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van het ondersteunde project en mogen niet voortvloeien uit reguliere taken of wettelijke verantwoordelijkheden;
  • k. Kosten voor kavelaanvaardingswerkzaamheden: werkzaamheden die een causaal verband hebben met de toedeling in het ruilschema van een kavelruil om de betrokken ondernemers tot een vergelijkbaar agrarisch productieniveau te brengen ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de kavelruil;
  • l. Nb-wetterreinen: natuurbeschermingswetterreinen; dit zijn gebieden met een bijzondere natuurkwaliteit;
  • m. Niet-productieve investeringen: in navolging van artikel 29 van EU verordening 1974/2006 wordt onder niet-productieve investeringen verstaan ’investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of  bosbouwbedrijf tot gevolg hebben’;
  • n. Ecologische Hoofdstructuur (EHS): gebieden binnen groene contouren conform de geldende provinciale structuurvisie;
  • o. Stapsteen: een (klein) natuurterrein langs een ecologische verbindingszone waar soorten zich wat langer kunnen ophouden;
  • p. Natuurbeheerplan: het geldende provinciale natuurbeheerplan;
  • q. Soortbeschermingsplannen: door het Rijk of de provincie Utrecht opgesteld plan waarin een strategie is beschreven om de kans op duurzaam voortbestaan voor een of enkele soorten te vergroten;
  • r. Leefgebiedenbenadering: nieuwe vorm van soortbescherming gericht op de leefgebieden van (groepen van) soorten;
  • s. Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer: Subsidieverordening Natuur- en
  • Landschapsbeheer provincie Utrecht en Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht;
  • t. (Sub)Top-gebieden: de door de provincie en het Rijk aangewezen natuurgebieden waar de bestrijding van verdroging wordt aangepakt;
  • u. Groenblauwe diensten: activiteiten op het gebied van natuur, water, landschap (inclusief cultuurhistorie) en toegankelijkheid die de kwaliteit van het landelijk gebied verhogen. De diensten gaan verder dan waartoe de beheerder wettelijk is verplicht en worden vrijwillig, meestal tegen een vergoeding, uitgevoerd;
  • v. Kleine kern: een woonkern met een inwonertal tussen de 400 en 4000 inwoners.

Artikel 1.2 Hoogte subsidie

In aanvulling op artikel 12 van de Asv en de bijzondere bepalingen in de hoofdstukken 2 tot en met 5 behoren tot de subsidiabele kosten in ieder geval niet:

  • a. kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd;
  • b. verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;
  • c. kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is;
  • d. kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties;
  • e. kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden;
  • f. kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen.

Artikel 1.3 Gegevens aanvraag

In aanvulling op art. 7 van de Asv overlegt de aanvrager in het geval van een aanvraag in het kader van POP2 de volgende gegevens:

  • a. de financiële planning in perioden van drie maanden;
  • b. als subsidie ten behoeve van een samenwerkingsverband wordt aangevraagd, verstrekt de aanvrager een overzicht van alle andere subsidies die betrokken ondernemingen in de drie jaren die aan de aanvraag zijn vooraf gegaan, heeft verkregen of aangevraagd voor iedere deelnemer in het samenwerkingsverband en tevens een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst.

Hoofdstuk 2 Thema Natuur

 

Artikel 2.1 Ontpachting op landgoederen

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het pachtvrij maken van landbouwgrond op landgoederen in samenhang met het verplaatsen van een agrarisch bedrijf naar elders.
     
  • 2. Nadere criteria
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien zij leiden tot:
    • a. het ontwikkelen van tenminste 10 ha natuur in de Ecologische Hoofdstructuur;
    • b. het verbeteren van de landbouwstructuur; en
    • c. het verbeteren van de bedrijfssituatie van het te verplaatsen bedrijf.
       
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal € 10.000 per ha.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend:
      • i. kosten voor het afkopen van pachtrecht;
      • ii. daaraan gerelateerde notariskosten;
      • iii. accountantskosten, voor zover van toepassing.
         
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan particuliere landgoedeigenaren, behoudens landbouwondernemingen.
     
  • 5. Aanvraag
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N1-1-1 verwerven nieuwe EHS;
    N1-1-3-1 verwerven bestaande natuur;
    N6-1-1-1 structuurverbetering grondgebonden landbouw.
     
  • 6. Verplichtingen subsidieontvanger
    In aanvulling op de Asv geldt dat binnen twee jaar na de subsidieverlening een kwalitatieve verplichting natuur op de vrijgemaakte gronden wordt gevestigd.
     
  • 7. Europese regelgeving
    Indien subsidie wordt verstekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het EG-verdrag op de minimis-steun.

Artikel 2.2 Kwaliteitsverbetering Natuur

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht die gericht zijn op:
    • a. het opstellen van een inrichtingsplan/activiteitenplan voor een (natuur)terrein;
    • b. het uitvoeren van onderzoek in een (natuur)terrein;
    • c. het opstellen van een uitwerking van het soortenbeleid voor een leefgebied of (natuur) terrein, waarbij de inventarisatie en monitoring van de betreffende soorten een onderdeel van het project kan vormen;
    • d. het uitvoeren van specifieke beheermaatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied van soort(groep)en (dus niet reguliere beheermaatregelen);
    • e. het afgraven en afvoeren van grond, humus of bagger;
    • f. het verwijderen of omvormen van ongewenste begroeiing waarbij voor de bestrijding van exoten in bos geldt dat de bedekking van de exoten gezamenlijk tenminste 50% moet zijn;
    • g. het aanleggen of herstellen van beplanting;
    • h. het plaatsen of verwijderen van stuwen, dammen, duikers en het uitvoeren van andere maatregelen die nodig zijn voor het wijzigen van de waterhuishouding;
    • i. het plaatsen of verwijderen van oeverbescherming;
    • j. het plaatsen of verwijderen van rasters;
    • k. het verwijderen van opstallen;
    • l. het herstellen of aanleggen van wegen en paden indien dit voor het natuurbeheer noodzakelijk is;
    • m. het aanleggen, herstellen of zichtbaar maken van kleinschalige natuurelementen en groene cultuurelementen in bos en natuurterrein voor zover dit projectmatig, dus niet op incidentele basis, wordt uitgevoerd;
    • n. het aanleggen van faunapassages, ecoducten en voorzieningen voor vismigratie;
    • o. het uitvoeren van beheermaatregelen in particuliere natuurbeschermingswetgebieden;
    • p. het opstarten van een werkgroep, vereniging of particuliere groep, met als doelstelling het uitvoeren van werkzaamheden en maatregelen op het gebied van natuur, voor ten hoogste drie jaar;
    • q. het uitvoeren van beheerexperimenten gedurende een periode van maximaal drie jaar;
    • r. onderzoek, uitvoering van inrichtingsmaatregelen, vergoeding van voorzienbare schade en/of compenserende maatregelen en monitoring van effecten ten behoeve van zogenaamde TOP- of Subtopgebieden voor:
      • i. het aanpassen van (grond)waterpeilen en/of (grond)waterpeilfluctuatie (ook voor aanpassing maaiveldhoogte);
      • ii. het aanpassen van (grond)waterkwaliteit en/of (grond)waterpeilfluctuatie (ook door vasthouden van gebiedseigen water en inundatie).
    • s. het opstellen van een beheerplan voor een particulier natuurterrein.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien ze leiden tot:
      • i. het ontwikkelen of verbeteren van de natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur, waaronder ecologische verbindingszones, door het verbeteren van de abiotische, biotische en hydrologische omstandigheden;
      • ii. het ontwikkelen of verbeteren van de natuurkwaliteit buiten de Ecologische Hoofdstructuur;
      • iii. het verbeteren van het leefgebied voor en het duurzaam in stand houden van populaties van (groepen) bedreigde, inheemse soorten volgens een vastgestelde Rode Lijst of Oranje Lijst en opgenomen in het Uitwerkingsplan Leefgebiedenbenadering Provincie Utrecht (2009); of
      • iv. het verbeteren van migratiemogelijkheden van soorten;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, voldoen in ieder geval aan de volgende criteria:
      • i. de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, b en c, zijn noodzakelijk als voorbereiding voor de uitvoering van één of meer van de overige activiteiten;
      • ii. het moet gaan om eenmalige activiteiten; beheermaatregelen komen niet voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder sub n en q;
      • iii. aan de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder c, zijn concreet uitvoerbare maatregelen of projecten gekoppeld die minimaal 50% van de subsidie omvatten;
      • iv. de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder r, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
        • - de maatregel heeft een significant positief effect op de hydrologische omstandigheden in de TOPlijst-gebieden (TOP en Sub-TOP), in relatie tot de te bereiken natuurdoelen; en
        • - de maatregel is realiseerbaar in afweging met andere door de provincie nagestreefde doelen;
    • c. De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. er worden duurzame en natuurlijke materialen gebruikt;
      • ii. er wordt gewerkt met inheems en autochtoon plantgoed en vastgestelde zaailijsten;
      • iii. er vindt geen flora- of faunavervalsing plaats;
      • iv. de activiteiten zijn gebiedsgericht en krijgen cofinanciering vanuit het gebied;
      • v. de activiteiten vormen een integrale uitvoering van beleid op het gebied van natuur, bodem, water, landschap en ruimte, zo ook de gebruikte instrumenten en te nemen maatregelen;
      • vi. de activiteiten bevorderen de samenwerking tussen verschillende partijen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid in het gebied;
      • vii. de activiteiten dragen bij aan de verbetering van het leefgebied van een groep van bedreigde soorten in plaats van aan één of enkele individuele soorten.
  • 3. Weigeringsgrond
    Subsidie kan worden geweigerd indien voor de activiteiten reeds subsidie is verkregen op grond van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap provincie Utrecht.
     
  • 4. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt:
      • i. maximaal 95% van de subsidiabele kosten voor overheden, landbouwondernemingen, particulieren en rechtspersonen voor onder lid 1 sub a tot en met r bedoelde activiteiten. GS kunnen afwijken van het maximum percentage op grond van bestaande afspraken tussen partijen of als de aard of de doelstelling van zowel de werkzaamheden als de aanvrager een hogere eigen bijdrage van de aanvrager rechtvaardigt;
      • ii. maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 5.000 voor voor onder lid 1 sub s bedoelde activiteit;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. kosten voor de vergoeding van voorzienbare schade of compenserende maatregelen;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • iii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iv. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • v. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vi. reiskosten;
      • vii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • viii. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor de aanleg van parkeergelegenheid;
      • ii. met uitzondering van onder lid 1 sub r bedoelde activiteiten, de kosten voor de uitvoering van maatregelen in tuinen of (landgoed)parken, waaronder het baggeren van vijvers en waterpartijen daarin.
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. eigenaren en beheerders van landbouwgrond;
    • b. eigenaren en beheerders van natuurterrein, waaronder particuliere natuurbeheerders;
    • c. agrarische natuurverenigingen;
    • d. overheden;
    • e. stichtingen of verenigingen die blijkens de statuten actief zijn op het gebied van soortenbescherming of (agrarisch) natuurbeheer;
    • f. particulieren.
       
  • 6. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N1-1-3-2 kwaliteitsverbetering EHS;
    N1-1-4-4 aanleg ecoducten gemeentelijke wegen en -wateren;
    N1-1-4-5 aanleg vistrappen;
    N1-1-4-7 aanleg faunapassages gemeentelijke wegen; 
    N1-1-4-8 realisering droge ecologische verbindingszones;
    N1-1-4-9 realisering natte ecologische verbindingszones;
    N1-1-5-1 behoud zeldzame soorten / leefgebiedenbenadering;
    N1-1-6-1 particulier natuurbeheer;
    N1-1-7-1 versterken natuur buiten EHS;
    N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
    N1-1-10-2 schaapskuddes ten behoeve van natuurbeheer;
    N2-1-1-1 verdrogingsbestrijding ten behoeve van Natura 2000 gebied;
    N2-1-1-2 verdrogingsbestrijding Overige top en subtopgebieden;
    N3-1-3-1 synergieprojecten water;
    N7-1-2-1 bereiken gewenste hydrologische situatie in natte natuurparels reconstructiegebied;
    N7-1-2-2 beek- en kreekherstel in natura2000-/Nb-wet- en EHS-gebieden;
    N7-1-2-3 verbetering water- en bodemkwaliteit in Natura2000-/Nb-wet- en EHS-gebieden.
     
  • 7. Verplichtingen subsidieontvanger
    In aanvulling op de Asv geldt het volgende:
    • a. de gesubsidieerde activiteiten worden gedurende tenminste vijf jaar in stand gehouden;
    • b. afhankelijk van de grootte en complexiteit van het project neemt een medewerker van de subsidieverstrekker zitting in een begeleidingsgroep van het project.
       
  • 8. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Aanvragen van landbouwondernemingen voor het uitvoeren van beheersexperimenten, genoemd in het eerste lid, onder n, o en p, worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Catalogus Groene Blauwe Diensten;
    • b. Voor de activiteiten ten behoeve van verdrogingsbestrijding, genoemd in het eerste lid, onder r, kan tevens gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is maatregel 216 “Niet productieve investeringen” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 2.3 Verbeteren waterkwaliteit
 

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit door middel van:
    • a. het opstellen (door derden) van een waterkwaliteitsverbeterings- / inrichtingsplan;
    • b. maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen;
    • c. grondverzet;
    • d. het plaatsen van een raster;
    • e. afvoer van grond, of overige maatregelen voor zover noodzakelijk in verband met de desbetreffende inrichting;
    • f. de inrichting van natuurvriendelijke oevers;
    • g. bestrijding van eutrofiëring in natuurgebieden door:
      • i. de aanleg van dammen en stuwen;
      • ii. het verleggen van waterstromen;
      • iii. het scheiden van waterstromen;
      • iv. het aanleggen van helofytenfilters daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden;
      • v. de aanleg van slibbezinkbassins;
      • vi. het toevoegen van ijzer aan de waterbodem;
      • vii. baggeren, verdiepen en vergroten van watergangen;
      • viii. aanleggen van defosfateringsinstallaties;
      • ix. uitbreiding van het areaal open water;
    • h. herstel oorspronkelijke uiterlijke verschijningsvormen van watersystemen;
    • i. vasthouden gebiedseigen water door:
      • i. aanleggen van bekkens;
      • ii. plaatsen van stuwen of cascades;
      • iii. werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen;
    • j. verbeteren waterkwaliteit buiten natuurgebieden door:
      • i. realiseren van nulbemesting langs waterkanten;
      • ii. sanering riooloverstorten, voor zover bovenwettelijk;
      • iii. het scheiden van waterstromen;
      • iv. het verleggen van waterstromen.
         
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende criteria is voldaan:
      • i. de maatregelen zijn genomen in het SGBP Rijndelta;
      • ii. de maatregelen zijn opgenomen als KRW maatregelen in de vast te stellen beheerplannen in het kader van Natura 2000; en
      • iii. de maatregelen zijn éénmalige maatregelen die een langdurig positief effect hebben op de waterkwaliteit.
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. de verhoging van de biodiversiteit;
      • ii. vergroting van het waterbergend vermogen;
      • iii. verbeteren van landschappelijke kwaliteit.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €1.000.000;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iv. reiskosten;
      • v. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • vi. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;
      • ii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iii. achterstallig onderhoud aan landschappelijke elementen;
      • iv. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materialen, anders dan ten behoeve van het treffen van maatregelen als bedoeld in de categorie subsidiabele kosten;
      • v. grondaankoop buiten de EHS ten behoeve van uitbreiding natuurgebieden voor het realiseren van KRW-maatregelen.
         
  • 4. Subsidieontvanger
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. gemeenten en waterschappen;
    • b. landbouwondernemingen.
       
  • 5. Aanvraag 
    Een subsidieaanvraag wordt ingediend voor een door Gedeputeerde staten te bepalen datum.
     
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel primair gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregelen 216 ”Niet productieve investeringen” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 2.4 Communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. het ontwikkelen en aanbieden van communicatieuitingen;
    • b. het ontwikkelen en uitvoeren van educatieve projecten;
    • c. het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de versterking van draagvlak voor natuurbeleid;
    • d. het uitvoeren van natuur- en landschapsgericht onderzoek.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende criteria is voldaan:
      • i. de activiteiten hebben bovenlokaal niveau door zich te richten op ten minste drie kernen;
      • ii. de deelnemers aan de activiteiten of de anderen die van de activiteiten profijt hebben, leveren een bijdrage in de kosten; en
      • iii. de activiteiten leveren een bijdrage aan versterking van het draagvlak voor het natuur- en landschapsbeleid.
    • b. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt aan de hand van het projectvoorstel de mate van integraliteit en de vorm van samenwerking beoordeeld. Projecten die gericht zijn op samenwerking of functies in het landelijk gebied integreren, hebben voorrang boven op zichzelf staande projecten.
       
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten;
    • b. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie ten behoeve van projecten in het kader van een uitvoeringsprogramma Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten;
    • c. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • v. kosten voor de inzet van vrijwilligers;
      • vi. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vii. reiskosten;
      • viii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • ix. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • d. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • ii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties;
         
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. overheden;
    • b. stichtingen en verenigingen op het gebied van natuur en landschap.
       
  • 5. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N1-1-8-1 activiteiten/producten draagvlakversterking natuurbeleid;
    N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
    N5-1-1-1 ontwikkeling nationale landschappen; 
    N5-2-4-1 aantal activiteiten/producten versterken publiek draagvlak cultuurhistorie.
     
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 “Instandhouding en opwaardering van  het landelijk erfgoed” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van  de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Hoofdstuk 3 Landschap en Cultuurhistorie

 

Artikel 3.1 Behoud en ontwikkeling van landschappelijke structuren en elementen

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. versterken van landschappelijke structuren (door bijvoorbeeld inpassing van bebouwing en wegen, beplantingsstructuren versterken en landschapselementen aanleggen);
    • b. verwijderen van niet passende elementen in een landschap;
    • c. herstel van landschappelijke waardevolle elementen;
    • d. inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de landschappelijke structuren (door bijvoorbeeld plaatsing van bebouwing in landschapsstructuur of het aanleggen van erfbeplantingen);
    • e. opstellen van beeldkwaliteitsplannen.
       
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien zij plaatsvinden in één van de vijf nationale landschappen (Groene Hart, Rivierengebied, Arkemheen-Eemland, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stelling van Amsterdam), het provinciale landschap (Utrechtse Heuvelrug) of in het reconstructiegebied (Gelderse Vallei).
     
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De hoogte bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • v. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vi. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vii. reiskosten;
      • viii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • ix. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor de inzet van vrijwilligers;
      • ii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.
         
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. particulieren;
    • b. landbouwondernemingen;
    • c. terreinbeherende organisaties;
    • d. gemeenten en waterschappen;
    • e. stichtingen en verenigingen.
       
  • 5. Aanvraag
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen: 
    N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
    N5-1-1-1 ontwikkeling nationale landschappen;
    N5-1-2-1 ontwikkelen landschappelijke kwaliteit;
    N5-1-2-2 verwijderen storende elementen;
    N5-1-2-3 herstel bestaande elementen.
     
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende communautaire toetsingskaders:
      • i. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwondernemingen die niet valt onder onderdeel b wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1535/2007, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het  Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector;
      • ii. Indien de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan ondernemers niet zijnde landbouwerondernemingen voor de instandhouding of de renovatie van een monument dan geschiedt dit met inachtneming van de Nationale monumenten regeling (Steunmaatregel N 606/2009);
      • iii. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor andere dan onder d bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europes Unie op de minimis-steun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 “Instandhouding en opwaardering van  het landelijk erfgoed”, 412 “Leader; Verbetering van het milieu en het platteland” en 413  “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2- middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 3.2 Pilots groenblauwe diensten

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op de uitvoering van groenblauwe diensten. De subsidiabele groenblauwe diensten worden jaarlijks door GS vastgesteld en gepubliceerd.
     
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen voor subsidie in aanmerking als zij voldoen aan de volgende criteria:
    • a. de diensten worden gerealiseerd op gronden binnen de AVP gebieden De Venen en de Waarden;
    • b. ze hebben betrekking op bovenwettelijke maatregelen;
    • c. ze dragen bij aan het realiseren van de doelstellingen van de desbetreffende gebiedsprogramma’s voor de AVP gebieden de Venen en de Utrechtse Waarden;
    • d. de diensten kunnen worden afgesloten voor bepaalde tijd en alleen in de aanvraagperiode 2008/2009, 2009/2010 en 2010/2011.
       
  • 3. Weigeringsgrond 
    Subsidie wordt geweigerd indien de diensten waarop de aanvraag betrekking heeft, al via een andere regeling worden vergoed.
     
  • 4. Hoogte van de subsidie
    De hoogte van de subsidie wordt jaarlijks door GS vastgesteld en gepubliceerd.
     
  • 5. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen.
     
  • 6. Aanvraag
    • a. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de te subsidieren diensten en de datum en duur van de openstelling vast;
    • b. Voor aanvragen wordt gebruik gemaakt van apart formulier dat beschikbaar is via het GBD-loket.
       
  • 7. Verplichtingen subsidieontvanger
    In aanvulling op de Asv is de subsidieontvanger verplicht om, als omstandigheden leiden tot het niet kunnen uitvoeren van de dienst, dit te melden aan het GBD-loket en aan de dienst regelingen.
     
  • 8. Europese regelgeving
    Aanvragen van landbouwondernemingen voor het uitvoeren van diensten zoals bescheven in bijlage 5 worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Catalogus Groene Blauwe Diensten en zoals die is goedgekeurd door de Europese Commissie (Steunnummer N 577/2006).

Artikel 3.3 Behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. restaureren, in oude staat terugbrengen;
    • b. consolideren of de bestaande situatie veilig stellen;
    • c. renoveren en ontwikkelen of met nieuwe middelen de oude situatie beleefbaar en zichtbaar maken;
    • d. renoveren met als doel het erfgoed geschikt te maken voor toekomstige (commerciële) exploitatie;
    • e. openstellen en ontsluiten van erfgoed voor publiek;
    • f. creëren van publieksvoorzieningen;
    • g. onder de aandacht brengen bij het publiek, bijvoorbeeld via internet, via musea of via publicaties en evenementen;
    • h. exploitatie gericht op het beleefbaar maken van erfgoed met de intentie op structurele voortzetting van de activiteiten;
    • i. het beleefbaar maken van erfgoed;
    • j. onderzoek ten behoeve van bovenstaande activiteiten;
    • k. systematisch ordenen, beschrijven of registreren van gegevens en kennis.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan een of meer van de volgende criteria:
      • i. projecten dragen bij aan de versterking van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur;
      • ii. projecten vallen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en die zijn opgenomen in een van de uitvoeringsprogramma’s van één van de vier enveloppencommissies;
      • iii. projecten vallen binnen de Grebbelinie en passen binnen de Gebiedsvisie voor de Grebbelinie;
      • iv. projecten vallen binnen het Groene Hart en passen binnen de Gebiedsvisie voor het Groene Hart;
      • v. projecten in de provincie die passen binnen de gebiedsvisies die zijn opgesteld door de overige gebiedscommissies;
    • b. In aanvulling op het gestelde onder a gelden bij exploitatiesubsidies de volgende criteria:
      • i. een maximum termijn van 2 jaar;
      • ii. de subsidie draagt bij aan de exploitatie van een publieksvoorziening; en
      • iii. het gaat om een nieuwe activiteit.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De hoogte van de subsidie bedraagt:
      • i. maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor overheden en stichtingen met een publieke taak;
      • ii. maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor particulieren;
      • iii. maximaal 40% van de subsidiabele kosten voor landbouwondernemingen indien het erfgoed onderdeel uitmaakt van de productieve activa van de onderneming;
      • iv. maximaal € 200.000 over 3 belastingjaren voor overige ondernemingen indien de subsidie bijdraagt aan een economische activiteit van de aanvrager.
    • b. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie voor stichtingen in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten;
    • c. bij renovaties die tot doel hebben om het erfgoed geschikt te maken voor toekomstig (commerciële) exploitaties waarbij inkomsten gegenereerd worden, wordt slechts bijgedragen aan de “onrendabele top”, waarbij wordt verstaan dat deel van de investering dat uit de exploitatie niet kan worden terugverdiend;
    • d. tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • v. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vi. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vii. reiskosten;
      • viii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • ix. exploitatiekosten, voor zover wordt voldaan aan de criteria, genoemd in het tweede lid, onder b;
      • x. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • e. naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties.
       
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. overheden;
    • b. landbouwondernemingen;
    • c. natuurlijke en rechtspersonen.
       
  • 5. Aanvraag
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
    N5-1-1-3 cultuurhistorie nationale landschappen;
    N5-2-1-1 restaureren erfgoed;
    N5-2-1-2 inrichten, ontsluiten en beheren van erfgoed;
    N5-2-1-3 herbestemmen en ontwikkelen van erfgoed;
    N5-2-3-1 behoud en herstel van aardkundige waarden;
    N5-2-4-1 aantal activiteiten/producten versterken publiek draagvlak cultuurhistorie.
     
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende communautaire toetsingskaders:
      • i. indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwondernemingen die niet valt onder onderdeel b wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1535/2007, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector;
      • ii. indien de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor de instandhouding of de renovatie van een monument dan geschiedt dit met inachtneming van de Nationale monumenten regeling (Steunmaatregel N 606/2009);
      • iii. indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor andere dan onder d bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed, 412 “Leader; Verbetering van het milieu en het platteland” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Hoofdstuk 4 Sociaal-economische vitaliteit

Afdeling 4.1 Landbouwstructuurverbetering

Artikel 4.1.1 Kavelruil en landbouwstructuurverbetering

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het uitvoeren van een vrijwillige kavelruil dan wel een planmatige kavelruil voor een omschreven begrensd gebied, zoals:
    • a. het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces;
    • b. het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen op basis van een ruilproces;
    • c. de volgende kavelinrichtingswerken en verbeteringen in de landbouwkundige infrastructuur op basis van activiteiten zoals beschreven onder a en b:
      • i. werkzaamheden om de nieuw gevormde kavels na ruiling bewerkbaar te maken, zoals het dempen van bestaande en het graven van nieuwe grenssloten, lichte egalisaties om kavels en percelen op elkaar aan te laten sluiten, het aanpassen van de drainage op het nieuwe slotenstelsel (na ruiling), het met elkaar verbinden van oude percelen binnen een nieuw kavel;
      • ii. het ontsluiten van kavels naar een openbare weg en kosten van aanleg/aanpassing van andere infrastructuur;
      • iii. het uitvoeren van energie- en waterhuishoudingsmaatregelen die de duurzaamheid van de landbouw vergroten;
      • iv. het uitvoeren van inpassingsmaatregelen: technische maatregelen in het gebied of in de omgeving gericht op het voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving als gevolg van de verbetering van de functie landbouw. Zoals: aanbrengen van compenserende beplantingen, aanpassing van wegen- en padenstructuur, dammen en bruggen. Zowel de aanleg als de verwijdering is subsidiabel;
    • d. bedrijfsverplaatsing.
       
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in maatregel 125 “Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en tuinbouw” van het Plattelandsontwikkelingsprogramma. In aanvulling hierop gelden de volgende criteria:
    • a. voor het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen zoals beschreven in het eerste lid, onder b, geldt dat:
      • i. bij het ruilproject minimaal drie grondeigenaren onroerende zaken inbrengen en na de ruil minimaal twee eigenaren weer grond terug krijgen;
      • ii. de geruilde gronden waarvoor subsidie wordt gevraagd voor meer dan 50% in de provincie Utrecht liggen;
      • iii. in het geval er sprake is van een vrijwillige kavelruil de (minimaal drie) inbrengende partijen hun beoogde eigendomswijziging uitwerken in een door de betrokken partijen te ondertekenen, concreet ruilplan;
    • b. voor de inrichtingswerkzaamheden zoals beschreven in het eerste lid onder c, gelden de volgende criteria:
      • i. de percelen zijn gelegen in de provincie Utrecht;
      • ii. als sprake is van een vrijwillige kavelruil, gelden ook de criteria, genoemd onder a;
      • iii. het perceel waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is betrokken geweest in een kavelruil waarvan de datum van aktepassering is gelegen binnen 1 jaar voor de datum van indiening van de aanvraag;
      • iv. de technische maatregelen dienen in verhouding te staan tot de (verwachte) prestatie;
    • c. Voor bedrijfsverplaatsing zoals genoemd in het eerste lid onder d gelden de criteria zoals bedoeld in de artikelen 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven.
       
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De hoogte van de subsidie bedraagt:
      • i. maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor overheden en organisaties met een publieke activiteit;
      • ii. maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor privaatrechtelijke rechtspersonen voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces;
      • iii. maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor de kosten die gepaard gaan met het juridisch vastleggen van de nieuwe eigendomssituatie;
      • iv. maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor de kosten die gepaard gaan met het juridisch vastleggen van de nieuwe eigendomssituatie;
      • v. maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor kavelaanvaardingsverkzaamheden;
      • vi. maximaal 40% (50% in probleemgebieden) voor kavelverbeteringswerkzaamheden en tot een maximum van € 400.000 (€ 500.000 in probleemgebieden) over 3 belastingsjaren per onderner;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor uitvoeren van onderzoeken, inventarisaties, verkenningen, consultaties en haalbaarheidstudies) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. notaris- en kadastrale kosten ten behoeve van de juridische vastlegging van nieuwe eigendommen;
      • v. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vi. kosten voor het functioneren van een lokale kavelruilcommissie;
      • vii. kosten van een kavelruilcoördinator;
      • viii. kosten voor de catering en zaalhuur i.v.m. de organisatie van bijeenkomsten;
      • ix. reiskosten;
      • x. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • xi. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
         
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. landbouwondernemingen;
    • b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen;
    • c. stichtingen voor kavelruil;
    • d. landbouworganisaties;
    • e. bestuurscommissies (op grond van de Provinciewet en de Wet inrichting landelijk gebied);
    • f. waterschappen;
    • g. gemeenten;
    • h. natuur- en landschapsorganisaties.
       
  • 5. Verplichtingen subsidieontvanger
    Voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder a, geldt dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd binnen twee jaar na de subsidieverstrekking, met de mogelijkheid van een verlenging door gedeputeerde staten met nogmaals twee jaar.
     
  • 6. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N6-1-1-1 structuurverbetering grondgebonden landbouw;
      N6-1-1-2 verbeteren kavels;
      N7-1-3-1 verbeteren ruimtelijke structuur (Reconstructiegebied Gelderse Vallei).
    • b. voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder a, geldt dat de volgende gegevens worden opgenomen in de aanvraag:
      • i. de exacte begrenzing van het gebied waarvoor de subsidie wordt gevraagd;
      • ii. cijfers van het aantal grondgebonden bedrijven en de bijbehorende verkavelingstructuur;
      • iii. een redelijke onderbouwing van het aanwezig draagvlak vanuit het betrokken gebied;
      • iv. te verwachten aantal hectaren dat geruild zal worden;
      • v. gedifferentieerde raming van de kosten;
    • c. voor het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen op basis van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder b, geldt dat een door de betrokken partijen ondertekende versie van het ruilplan bij de aanvraag wordt bijgeleverd - bij pacht dient zowel de verpachter als pachter te ondertekenen;
    • d. Voor inrichtingswekzaamheden zoals beschreven in het eerste lid onder c dient de aktepassering van de notaris bijgevoegd te worden.
       
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013 
    Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregel 125 “Investeringen voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.1.2 Technische maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid kavels

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die
    gericht zijn op de aanleg van kavelpaden op landbouwgronden.
     
  • 2. Nadere criteria
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in maatregel 125 “Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en tuinbouw” van het Plattelandsontwikkelingsprogramma. In aanvulling hierop gelden de volgende criteria:
    • a. de landbouwgronden zijn gelegen in de AVP-gebieden de Utrechtse Waarden en De Venen van de provincie Utrecht;
    • b. de landbouwgronden hebben en houden een agrarische bestemming;
    • c. de agrarische structuur wordt versterkt; en
    • d. de technische maatregelen dienen in verhouding te staan tot de (verwachte)  prestatie volgens de geldende normkosten.
       
  • 3. Weigeringsgrond
    Subsidie wordt geweigerd voor zover er voor de activiteiten waarop de aanvraag  betrekking heeft, al subsidie door een ander bestuursorgaan is verstrekt.
     
  • 4. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor  voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor  directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor uitvoering;
      • iv. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • v. reiskosten;
      • vi. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • vii. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor erfverharding en erfontsluiting;
      • ii. vervangingsinvesteringen.
         
  • 5. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. landbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden daarvan;
    • b. landbouworganisaties;
    • c. gebiedscommissies.
       
  • 6. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van het volgende doel:
    N6-1-1-1 structuurverbetering grondgebonden landbouw.
     
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013 
    Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees  lattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregel 125 “Investeringen voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.1.3 Brede banden

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op de aanschaf van banden voor het vergroten van het draagvlak van landbouwvoertuigen (brede banden).
     
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:
    • a. de landbouwgronden waar de brede banden gebruikt gaan worden, zijn  Gelegen in AVP-gebied de Venen of de Utrechtse Waarden van de provincie Utrecht;
    • b. de agrarische structuur wordt versterkt; en
    • c. de technische maatregelen in verhouding staan tot de (verwachte) prestatie volgens de geldende normkosten.
       
  • 3. Weigeringsgrond 
    Subsidie wordt geweigerd voor zover er voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, al subsidie door een ander bestuursorgaan is verstrekt.
     
  • 4. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren de kosten voor de aanschaf van banden met een minimale breedte van 60 cm voor tractoren en 65 cm voor landbouwwerktuigen voor het vergroten van het draagvlak.
       
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. landbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden van Landbouwondernemingen;
    • b. landbouworganisaties;
    • c. gebiedscommissies.
       
  • 6. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van het volgende doel:
    N6-1-1-1 structuurverbetering grondgebonden landbouw.
     
  • 7. Europese regelgeving 
    Voor subsidie aan landbouwers wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1535/2007, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector.

Artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verplaatsen van gehele en volwaardige agrarische bedrijven.
     
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan één of meer van de volgende criteria wordt voldaan:
      • i. indien de aanvraag afkomstig is van de eigenaar van het te verplaatsen bedrijf, wordt de daarbij behorende grond in eigendom:
        • - vrij van enig gebruiksrecht, aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie verkocht; of
        • - ingebracht bij de toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet inrichting landelijk gebied;
        • - met instemming van de provincie aangewend voor te realiseren provinciale doelen;
      • ii. indien de aanvraag afkomstig is van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die beschikt over een duurzaam gebruiksrecht op het te verplaatsen bedrijf, verklaart de eigenaar van de daarbij behorende grond akkoord te gaan met het gestelde onder i.
    • b. In aanvulling op het eerste lid vindt subsidieverstrekking ten behoeve van natuurdoelen slechts plaats, als na verwerving van de grond de agrarische bestemming van de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties vervalt;
    • c. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van de onder b omschreven criterium.
       
  • 3. Weigeringsgrond
    Onverminderd artikel 10 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:
    • a. op de bedrijfskavel of daarbij behorende grond woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, of volgens een geldend projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van deze wet;
    • b. indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling is betaald op grond van de hoofdstukken I, IV of VI van de Onteigeningswet;
    • c. indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling op vrijwillige basis is betaald.
       
  • 4. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt:
      • i. 100 % van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub i, waarbij voor de verhuiskosten een maximum geldt van € 10.000,- . De kosten moeten redelijk zijn. Richtsnoer bij de beoordeling van de kosten (redelijkheidstoets) zijn de tarieven hiervoor bij een aankoop met volledige schadeloosstelling;
      • ii. maximaal 40% van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub ii;
      • iii. de totale vergoeding van het gestelde onder a, sub i en ii, mag niet meer bedragen dan € 400.000;
      • iv. GS kunnen afwijken van de maximale subsidie van € 400.000 indien het oppervlak van de aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie verkochte grond niet in verhouding staat tot de waarde van de bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties;
    • b. in afwijking van het gestelde onder a, sub ii, kan bij (erf)pacht voor de vervangende bedrijfskavel in plaats van de koopsom de taxatie van de agrarische gebruikswaarde in het economisch verkeer van toepassing zijn;
    • c. als op grond van de subsidiecriteria, genoemd in het tweede lid, niet alle bij het bedrijf behorende grond wordt overgedragen aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie, wordt de hoogte van de subsidie naar evenredigheid van de over te dragen oppervlakte grond berekend;
    • d. er wordt minder subsidie verstrekt naar de mate dat andere overheden een vergoeding verstrekken bij de verplaatsing van het grondgebonden agrarisch bedrijf of de sloop van de zich op de bedrijfskavel bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen of installaties. De totale steun bedraagt niet meer dan het bedrag dat voortvloeit uit het gestelde onder a, b en c;
    • e. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. de kosten die daadwerkelijk gemaakt zijn ten behoeve van de hervestiging, zoals notariskosten, kadastrale kosten, advieskosten, verhuiskosten, overdrachtsbelasting en kosten van eigen arbeid van de aanvrager;
      • ii. de kosten die het verschil uitmaken tussen enerzijds de koopsom en eventueel (aanvullende) investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en anderzijds de getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie. Uitgangspunt hierbij is gelijke bedrijfsomvang. Wanneer er sprake is van bedrijfsuitbreiding, worden de kosten verbonden aan de uitbreiding buiten de subsidie gehouden.
         
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen.
     
  • 6. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N1-1-1 verwerven nieuwe EHS;
    N6-1-1-1 structuurverbetering grondgebonden landbouw; 
    N6-1-1-3 bedrijfsverplaatsingen grondgebonden landbouw;
    N7-1-1-1 verplaatsing veehouderijbedrijven rond ammoniak- en stankgevoelige objecten Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
    N7-1-3-1 verbeteren ruimtelijke structuur (Reconstructiegebied Gelderse Vallei).
     
  • 7. Verplichtingen subsidieontvanger 
    De subsidieontvanger realiseert de hervestiging van een volwaardig bedrijf op een andere plaats binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onder a.
     
  • 8. Europese regelgeving 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan landbouwerondernemingen subsidie wordt verstrekt voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang en dat dit geschiedt met inachtneming van de artikel 6 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Deze steunmaatregel is bekendgemaakt in het publicatiejournaal (2008/C 99/08) van de Europese Commisie onder zaaknr. XA 371/07.

Artikel 4.1.5 Verplaatsing intensieve veehouderij

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verplaatsen van gehele en volwaardige agrarische bedrijven.
     
  • 2. Criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:
      • i. de intensieve veehouderij op de bestaande bedrijfslocatie geheel wordt beëindigd, de bedrijfsvergunningen worden ingetrokken en de bestemming van de locatie wordt veranderd in een passende bestemming die gebruik voor intensieve veehouderij uitsluit;
      • ii. de bedrijfsgebouwen worden gesloopt, met uitzondering van monumenten en gebouwen met belangrijke cultuurhistorische waarden en de aanvrager de intensieve veehouderij voor ten minste 80% van de te verplaatsen omvang voortzet op een door gedeputeerde staten goedgekeurde locatie in Nederland; en
      • iii. ondergrond en erf om niet in eigendom worden overgedragen aan Bureau Beheer Landbouwgronden, dit met uitzondering van de grondgebonden bedrijfsonderdelen die op de bestaande bedrijfslocatie worden voortgezet;
    • b. In afwijking van het gestelde onder a, sub iii, geldt als criterium voor ondergrond en erf die zijn begrensd als reservaatsgebied, op basis van het vigerend provinciaal natuurbeheerplan, dat zij aan het Bureau Beheer Landbouwgronden te koop worden aangeboden. Dit geldt niet als de eigenaar een overeenkomst ingevolge de subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer heeft afgesloten;
    • c. Indien de hervestigingslocatie binnen het plangebied van het  reconstructieplangebied is gelegen, dient dat een landbouwontwikkelingsgebied te zijn. In uitzonderlijke gevallen en als ook het Rijk de locatie als duurzaam aanmerkt, kan hervestiging in een verwevingsgebied worden goedgekeurd.
       
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt:
      • i. maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Bij samenvoeging van bedrijfslocaties is de subsidie maximaal 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde;
      • ii. sloopkosten tot € 25 per m2 daadwerkelijk aanwezige oppervlakte aan bedrijfsgebouwen;
      • iii. Daadwerkelijk gemaakte kosten van advies, ontwerp en onderzoek ten behoeve van de hervestiging tot maximaal € 500 per NGE en maximaal € 100.000 per bedrijf;
      • iv. indien de hervestigingslocatie een bestaande agrarische  edrijfslocatie is en geen sprake is van samenvoeging met een andere locatie: een vergoeding voor de sloop kosten van € 25 per m2 voor de sloop van op de hervestigingslocatie niet bruikbare bedrijfsgebouwen;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen op de eerste januari van het jaar waarin deze verordening in werking treedt, vast te stellen door gedeputeerde staten op basis van een in hun opdracht verrichte taxatie. Indien de vaststelling meer dan drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van dit subsidiekader zal plaatsvinden, wordt uitgegaan van de eerste januari van het derde jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vaststelling dan plaatsvindt. Als de bij taxatie aanwezige productiecapaciteit (aantal dierplaatsen zoals vastgelegd in de vigerende milieuvergunning) afwijkt van de aanwezige oppervlakte van gebouwen, gedeeld door de oppervlaktenorm uit de te hanteren Kwantitatieve Informatie (KWIN), is de aanwezige productiecapaciteit uitgangspunt voor de taxatie;
      • ii. de waarde van ondergrond en erf, vast te stellen door gedeputeerde staten op basis van de waarde in het economisch verkeer, uitgaande van cultuurgrond. De begrenzing vindt plaats op basis van wat in redelijkheid tot erf en ondergrond kan worden gerekend, zoveel mogelijk aansluitend bij in het terrein zichtbare grenzen en zodanig dat het perceel ontsloten is of kan worden vanaf de openbare weg;
      • iii. sloopkosten;
      • iv. daadwerkelijk gemaakte kosten van advies, ontwerp en onderzoek ten behoeve van de hervestiging;
      • v. indien de hervestigingslocatie een bestaande agrarische edrijfslocatie is en geen sprake is van samenvoeging met een andere locatie: een vergoeding voor de sloopkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de kosten die verbonden zijn aan eventueel andere bedrijfstakken (en de daarbij gebruikte bedrijfsonderdelen) dan intensieve veehouderij op de bestaande bedrijfslocatie.
       
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen.
     
  • 5. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N6-1-1-4 bedrijfsverplaatsingen intensieve veehouderij;
      N7-1-1-1 Verplaatsing veehouderijbedrijven rond ammoniak- en stankgevoelige objecten (Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
    • b. Over de criteria, genoemd in het tweede lid, onder a en b, vragen gedeputeerde staten advies van:
      • i. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de bedrijfslocatie is gelegen;
        en
      • ii. de Reconstructiecommissie Gelderse Vallei/Utrecht-Oost.
    • c. Indien meer subsidies voor verlening in aanmerking komen dan het subsidieplafond toelaat, wordt de prioriteit bepaald met inachtneming van de prioritering zoals opgenomen in bijlage 4.
       
  • 6. Europese regelgeving 
    De activiteiten onder lid 1 komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang en dat dit geschiedt met inachtneming van de artikelen 4 en 6 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Deze steunmaatregel is bekendgemaakt in het publicatiejournaal (2006/C 2/03) van de Europese Commisie onder zaaknr. XA 62/05.

Afdeling 4.2 Duurzame landbouw

Artikel 4.2.1 Pilots duurzaam ondernemen

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. het uitvoeren van demonstratieprojecten;
    • b. verstrekken van informatie en verzorgen van publiciteit;
    • c. advies en ondersteuning bij het opstellen van plannen;
    • d. cursussen, voorlichtingsbijeenkomsten en studieclubs.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende criteria:
      • i. het project voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in maatregel 111“Beroepsopleiding en voorlichting” van het Plattelandsontwikkelingsprogramma;
      • ii. het project past in het programma duurzame landbouw;
      • iii. het project leidt tot aantoonbare milieuwinst op de deelnemende agrarische bedrijven;
      • iv. de gedemonstreerde maatregelen gaan verder dan de wettelijke normen op het gebied van milieu;
      • v. het project draagt bij aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën; en
      • vi. het project heeft draagvlak bij de landbouw (bottom-up).
    • b. In aanvulling op het gestelde onder a worden bij de beoordeling van de aanvraag de volgende aspecten betrokken:
      • i. welke spin-off te verwachten is;
      • ii. op hoeveel en welk type bedrijven de vernieuwing kan worden toegepast;
      • iii. hoe groot het deel is van de doelgroep die bereikt wordt in het project;
      • iv. hoe de doelgroep als geheel bereikt wordt;
      • v. hoe het Afwegingskader Duurzaamheid van de provincie Utrecht toegepast is.
    • c. De pilots worden door het Rijk (VROM) op de volgende criteria beoordeeld:
      • i. de projectvoorstellen bevatten een heldere omschrijving van de te behalen milieuwinst;
      • ii. de pilots zijn vernieuwend en zijn bottom-up opgezet;
      • iii. monitoring van de te realiseren milieukwaliteit.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt
      • i. Maximaal 35% van de subsidiabele kosten voor niet-landbouwers;
      • ii. maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor landbouwers;
      • iii. maximaal 70% van de subsidiabele kosten indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband (alleen van toepassing voorzover begunstigden landbouwers/ primaire landbouwondernemingen zijn);
      • iv. Indien voor de subsidiabele kosten of een gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde een subsidie is of zal worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totaal van alle subsidiebedragen niet meer bedraagt dan 90% van de subsidiabele kosten (alleen van toepassing voorzover begunstigden landbouwers/primaire landbouwondernemingen zijn);
      • v. Maximaal 100% van de subsidiabele kosten in het geval van nieuwe uitdagingen;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse;
      • v. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • vi. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vii. kosten voor de catering en zaalhuur i.v.m. de organisatie van bijeenkomsten;
      • viii. reiskosten;
      • ix. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • x. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten behorende bij de lopende bedrijfsvoering (zoals zaaizaad, grondbewerking etc.).
       
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. landbouwondernemingen;
    • b. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen;
    • c. onderzoeksinstellingen;
    • d. adviesbureaus.
       
  • 5. Aanvraag
    • a. De provincie ondersteunt de aanvrager bij de ontwikkeling van deze projecten door een intensieve betrokkenheid van Bureau LaMi. Bureau LaMi zal ook zorgdragen voor een pretoets bij VROM. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van het volgende doel:
      N6-1-3-1 ontwikkelen pilots duurzaam ondernemen (VROM);
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv:
      • i. blijkt uit de aanvraag dat er draagvlak is bij de landbouw (bottom-up);
      • ii. is de aanvraag voorzien van onderzoeks- of monitoringsplan;
      • iii. is de aanvraag voorzien van een communicatieplan; en
      • iv. bevat de aanvraag een heldere omschrijving van de te behalen milieuwinst.
         
  • 6. Verplichtingen subsidieontvanger 
    Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project:
    • a. de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd. Daaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke maatregelen zijn toegepast, en wat het gemeten of berekende effect is van deze maatregelen en van het project als geheel, zowel wat betreft milieu, als praktisch en sociaal-ecomomisch;
    • b. de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep.
       
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    Voor subsidiëring vanuit de Agenda vitaal platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregel 111 “Beroepsopleiding en voorlichting” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen  voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.2.2 Investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van het milieu in het Reconstructiegebied

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verbeteren van bovenwettelijke milieuprestaties van landbouwondernemingen.
     
  • 2. Nadere criteria 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten binnen landbouwbedrijven die tot doel hebben de vermindering van de milieubelasting door de landbouw in het Reconstructiegebied die vallen onder een of meer van de volgende categorieën:
    • a. vermindering van ammoniakemissies en ammoniakdeposities;
    • b. vermindering gebruik en emissies van bestrijdingsmiddelen;
    • c. vermindering van de geurhinder;
    • d. vermindering van de emissie van fijn stof.
       
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt:
      • i. maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000,-;
      • ii. in afwijking van het gestelde onder i bedraagt de subsidie ten behoeve van investeringskosten voor gecombineerde luchtwassystemen maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • ii. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa;
      • iii. algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor de aankoop van productierechten, dieren en eenjarige gewassen;
      • ii. kosten voor de aanplant van eenjarige gewassen;
      • iii. kosten voor draineerwerkzaamheden of irrigatieapparatuur en irrigatiewerkzaamheden, tenzij dergelijke investeringen leiden tot een daling van het waterverbruik met ten minste 25 %;
      • iv. vervangingsinvesteringen.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen.
     
  • 5. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van het volgende doel:
    N7-1-1-3 Verbetering water- en bodemkwaliteit voor VHR-/Nb-wet en EHS-gebieden.
     
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013 
    De activiteiten onder lid 2 komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt in de vorm van investeringssteun met inachtneming van artikel 4 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Deze steunmaatregel is bekend bij de Europese Commissie onder zaaknr. XA 62/2010.

Artikel 4.2.3 Bedrijfsmodernisering

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verbeteren van de milieuprestatie van agrarische bedrijven met betrekking tot:
    • a. vermindering van emissies van en milieubelasting door ammoniak;
    • b. het beperken van de uitstoot van nutriënten;
    • c. het beperken van de uitstoot van broeikasgassen;
    • d. het beperken van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen.
       
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in maatregel 121 “Bedrijfsmodernisering” van het Plattelandsontwikkelingsprogramma. In aanvulling hierop geldt dat subsidie uitsluitend wordt verleend indien bij de keuze van de investeringen rekening gehouden wordt met gebiedsspecifieke kenmerken.
     
  • 3. Weigeringsgrond 
    In aanvulling op artikel 10 van de Asv wordt geen subsidie wordt verstrekt voor projectactiviteiten die reeds subsidie onvangen of die worden aangevraagd vanuit de Regeling LNV-subsidies (RLS).
     
  • 4. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000,-- en een maximum van € 100.000,--;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor de bouw, verwerving of verbetering of inrichting van onroerende goederen;
      • ii. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten, inclusief computersoftware;
      • iii. kosten voor haalbaarheidsstudies;
      • iv. algemene kosten voor onder meer architecten, ingenieurs en adviseurs, en het verwerven van octrooien en licenties (tot een maximum van 12% van de onder i) en ii) bedoelde uitgaven;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. kosten voor de aankoop van landbouwproductierechten, dieren en zaai- en potgoed van jaarlijkse gewassen alsook het planten ervan;
      • ii. vervangingsinvesteringen;
      • iii. kosten voor de aankoop van grond.
         
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen.
     
  • 6. Aanvraag
  • De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
    N2-1-2-3 brongerichte maatregelen verzuring en vermesting tbv Natura 2000 gebied;
    N2-1-2-4 brongerichte maatregelen verzuring en vermesting overig EHS.
     
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013 
    Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregelen 121 “Bedrijfsmodernisering” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende provinciale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.2.4 Projecten duurzame landbouw

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. het verstrekken van informatie en verzorgen van publiciteit;
    • b. advies en ondersteuning bij het opstellen van plannen;
    • c. cursussen, voorlichtingsbijeenkomsten en studieclubs.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:
      • i. het project past in het programma duurzame landbouw;
      • ii. het project tot aantoonbare milieuwinst leidt die verder gaat dan de wettelijke eisen;
      • iii. het project aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën bijdraagt; en
      • iv. er draagvlak is bij de landbouw (bottom-up);
    • b. In aanvulling op het gestelde onder a worden bij de beoordeling van de aanvraag de volgende aspecten betrokken:
      • i. welke spin-off te verwachten is;
      • ii. op hoeveel en welk type bedrijven de vernieuwing kan worden toegepast;
      • iii. hoe groot het deel is van de doelgroep dat bereikt wordt in het project;
      • iv. hoe de doelgroep als geheel bereikt wordt;
      • v. hoe het Afwegingskader Duurzaamheid van de provincie Utrecht toegepast.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De totale overheidsbijdrage bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • v. reis- en verblijfkosten van de deelnemers;
      • vi. kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker;
      • vii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • viii. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor kosten die tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren, zoals routinematig belastingadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied of reclame.
       
  • 4. Subsidieontvangers
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen;
    • b. onderzoeks- en adviesbureaus.
       
  • 5. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aanGS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N2-1-1-1 verdrogingsbestrijding tbv Natura 2000 gebied;
      N2-1-1-2 verdrogingsbestrijding Overige top en subtopgebieden;
      N2-1-1-3 verbeteren luchtkwaliteit;
      N2-1-2-3 brongerichte maatregelen verzuring en vermesting tbv Natura 2000 gebied;
      N2-1-2-4 brongerichte maatregelen verzuring en vermesting overig EHS;
      N4-1-1-1 pilots duurzaam bodemgebruik;
      N6-1-3-2 duurzaam ondernemen (overig);
      N6-1-3-3 versterken biologische landbouw en verduurzamen gangbare landbouw;
      N7-1-1-3 verbetering water- en bodemkwaliteit voor VHR-/Nb-wet en EHS-gebieden;
      N7-1-2-3 verbetering water- en bodemkwaliteit in Natura 2000-/Nb-wet- en EHS-gebieden;
      N7-1-3-4 verduurzamen productiesystemen door inzet stimulator;
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv:
      • i. blijkt uit de aanvraag dat er draagvlak is bij de landbouw (bottom-up);
      • ii. is de aanvraag voorzien zijn van een onderzoeks- of monitoringsplan; en
      • iii. is de aanvraag voorzien van een plan voor publicatie of openbaar maken van de resultaten.
         
  • 6. Verplichtingen subsidieontvanger 
    Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project:
    • a. de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke maatregelen zijn toegepast, en wat het gemeten of berekende effect is van deze maatregelen en van het project als geheel, zowel wat betreft milieu, de feitelijke uitvoering en de sociaal-ecomomische aspecten;
    • b. de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep.
       
  • 7. Europese regelgeving en POP2 
    Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden.
    In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing:
    • a. indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt in de vorm van technische steun geschiedt dit met inachtneming van artikel 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren;
    • b. indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwondernemingen die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1535/2007, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector.

Artikel 4.2.5 Projecten duurzame energie

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. het uitvoeren van energiescans gericht op het inzichtelijk maken van maatregelen waarmee het meeste energie bespaard kan worden tegen de laagste kosten;
    • b. het uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar energiebesparing en productie van duurzame energie;
    • c. investeringen in energiebesparing in de agrarische bedrijfsvoering;
    • d. investeringen in de productie van duurzame energie gekoppeld aan het primaire productieproces;
    • e. het aanleggen van basisvoorzieningen voor hernieuwbare energie met als doel het verbeteren en oprichten van basisvoorzieningen rond hernieuwbare energie.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
      • i. de energiescans zijn gericht op het realiseren van een besparing van minimaal 30% (doelstelling Schoon en Zuinig Agrosectoren);
      • ii. de energiescans worden aangevraagd door een  samenwerkingsverband van ondernemers; en
      • iii. de energiescans worden ingezet op minimaal de helft van het aantal bedrijven in het betreffende AVP gebied;
    • b. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
      • i. er is sprake van samenwerking met andere energieproducenten, kennisinstellingen of afnemers; en
      • ii. de provincie wordt betrokken in het onderzoek;
    • c. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder c, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
      • i. er is sprake van een realisatie van minstens 30% energiebesparing;
      • ii. de terugverdientijd bedraagt tussen de 5 en de 10 jaar; en
      • iii. de activiteiten staan op de lijst Energie Investeringsaftrek EIA;
    • d. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder d, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
      • i. de aanvragen passen binnen de provinciale visie biomassa;
      • ii. de activiteiten gekoppeld zijn aan het primaire productieproces;
    • e. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder e, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien de aanvragen passen binnen de provinciale visie biomassa.
       
  • 3. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000 over 3 belastingjaren.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse;
      • v. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • vi. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubxsidieerde activiteiten, inclusief computersoftware;
      • vii. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • viii. reiskosten;
      • ix. kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker.
        x. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • xi. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. landbouwondernemingen;
    • b. samenwerkingsverbanden;
    • c. bos- en natuurbeherende organisaties;
    • d. overheden;
    • e. rechtspersonen;
       
  • 5. Aanvraag
    • a. Een subsidieaanvraag wordt ingediend voor een door Gedeputeerde staten te bepalen datum;
    • b. de aanvraag voor activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b, geeft voldoende blijk van samenwerking met andere energieproducenten, kennisinstellingen of afnemers.
       
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda vitaal platteland kan voor de activiteiten 2iiii en 2v gebruik worden gemaakt van middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor deze onderdelen zijn de maatregelen 311b “Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten/b. hernieuwbare energie” en 321b “Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking/b.hernieuwbare energie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Afdeling 4.3 Plattelandsontwikkeling & Leefbaarheid

Artikel 4.3.1 Verbrede landbouw

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op investeringen in niet-agrarische activiteiten op agrarische bedrijven die diversificatie tot doel hebben.
     
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:
      • i. de verbredingsactiviteiten betrekking hebben op de thema’s zorg, dag- en verblijfsrecreatie, streekproducten en streekidentiteit;
      • ii. de activiteiten voldoende economisch perspectief hebben;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. het tot stand brengen van samenwerkingsvormen of het integreren van functies in het landelijk gebied;
      • ii. het aanbieden van voorzieningen en arrangementen voor ouderen, gehandicapten en kinderen.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000,- per project.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • v. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vi. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vii. reiskosten;
      • viii. legeskosten;
      • ix. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. vervangingsinvesteringen;
      • ii. kosten voor beheer en onderhoud.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen- en samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen.
     
  • 5. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N6-1-4-1 plattelandsontwikkeling;
      N7-1-3-3 diversificatie naar niet- agrarische activiteiten (Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een ondernemersplan, inclusief exploitatiebegroting, waaruit voldoende economisch perspectief blijkt.
       
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 311 “Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.3.2 Streekidentiteit

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. vraaggericht en klantgericht ondernemen en ketensamenwerking;
    • b. het versterken van de plattelandseconomie door het benutten en vermarkten van de streekidentiteit en de streekcultuur;
    • c. de uitvoering van samenwerkingsprojecten passend binnen de doelstellingen van de ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen van Leader.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien sprake is van inhoudelijke en financiële betrokkenheid (het draagvlak) van agrarische ondernemers en eventueel andere betrokkenen;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. de mate van integraliteit en de vorm van samenwerking binnen het project: samenwerkingsprojecten die solide zijn wat betreft samenwerkingsvorm en functies in het landelijk gebied integreren hebben voorrang boven op zichzelf staande projecten;
      • ii. de mate van perspectief die het project biedt op spin-off in de regio;
      • iii. het tot stand brengen van samenwerkingsvormen of het integreren van functies in het landelijk gebied.
         
  • 3. Hoogte van de subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van  € 100.000,- per project.
    • b. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten en tot een door GS nader te bepalen bedrag ten behoeve van onder het eerste lid sub c omschreven samenwerkingsprojecten;
    • c. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor marketingsactiviteiten en productontwikkeling (arrangementen) tot een maximum van 40% van de projectkosten;
      • v. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor werving en ondersteuning deelnemers tot een maximum van 40% van de projectkosten;
      • vi. kosten voor opleiding verbonden aan professionalisering tot een maximum van 40% van de projectkosten;
      • vii. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • viii. legeskosten;
      • ix. reiskosten;
      • x. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • xi. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
    • d. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt onder dit artikel in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. vervangingsinvesteringen;
      • ii. kosten voor beheer en onderhoud;
      • iii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties;
      • iv. kosten verbonden aan het realiseren en het uitbrengen van boeken of andere publicaties.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. overheden;
    • b. natuurlijke en rechtspersonen.
       
  • 5. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N6-1-4-1 plattelandsontwikkeling;
      N6-2-1-1 behoud leefbaarheid rijk;
      N6-2-1-2 behoud en versterken leefbaarheid provincie;
      N7-1-3-3 diversificatie naar niet- agrarische activiteiten (Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv blijkt uit de aanvraag de inhoudelijke en financiële betrokkenheid (het draagvlak) van agrarische ondernemers en eventueel andere betrokkenen.
       
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 311 “Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten””, 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie, en 421 “Uitvoering van samenwerkings-projecten” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.3.3 Leefbaarheid

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het versterken van de leefbaarheid:
    • a. door het investeren in fysieke voorzieningen;
    • b. door bij te dragen aan de totstandkoming of versterking van daartoe dienende organisatievormen door:
      • i. het opstellen van dorpsvisies;
      • ii. het oprichten van dorpsraden of een overkoepelend dorpenoverleg;
      • iii. het opleiden/trainen van bestuurders van dorpshuizen;
    • c. door het organiseren van evenementen.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
      • i. de activiteiten moeten aansluiten op gemeentelijk beleid of  orpsvisies maar gaan verder dan reguliere gemeentelijke taken;
      • ii. er is sprake van voldoende lokaal draagvlak;
      • iii. de voorziening waarvoor een investering wordt gevraagd, is  levensvatbaar op de lange termijn;
      • iv. de evenementen, bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn regionaal van aard, zonder winstoogmerk en eenmalig;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, geven bij voorkeur invulling aan de relatie stad/platteland.
       
  • 3. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal:
      • i. 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500.000,- voor investeringen in publieke voorzieningen;
      • ii. 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,- voor de activiteiten gericht op de totstandkoming of versterking van op leefbaarheid gerichte organisatievormen;
      • iii. 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- voor het organiseren van evenementen;
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. aan derden betaalde kosten voor opleiding en training;
      • v. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • vi. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vii. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • viii. reiskosten;
      • ix. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • x. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. vervangingsinvesteringen;
      • ii. kosten voor beheer en onderhoud;
      • iii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties;
      • iv. kosten verbonden aan het realiseren en het uitbrengen van boeken of andere publicaties;
      • v. kosten verbonden aan grondverplaatsingen, bomenrooiingen en landophogingen.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. gemeenten;
    • b. natuurlijke en rechtspersonen.
       
  • 5. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N6-2-1-1 behoud leefbaarheid (rijksdoel);
      N6-2-1-2 behoud en versterken leefbaarheid (provinciaal doel);
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv:
      • i. geeft de aanvraag blijk geven van de aanwezigheid van voldoende lokaal draagvlak;
      • ii. gaat een aanvraag voor investering in een voorziening gepaard met een dekkend exploitatieoverzicht waarmee de levensvatbaarheid van de voorziening op de lange termijn wordt aangetoond.
         
  • 6. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 321 “Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking”, 322 “Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling” en 413 Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2- middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Afdeling 4.4 Recreatie

Artikel 4.4.1 Provinciale routenetwerken en toegankelijkheid

  • 1. Subsidiabele activiteiten
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. haalbaarheidsstudies en marktverkenningen ten behoeve van recreatieve routestructuren en aanvullende (kleinschalige) recreatieve voorzieningen;
    • b. aanleg van nieuwe routes door middel van infrastructurele werken;
    • c. reconstructie van bestaande routes (infrastructuur);
    • d. aanleg van (kleinschalige) recreatieve voorzieningen die deel uitmaken van of verbonden zijn met routestructuren, zoals routepunten, picknickvoorzieningen, parkeervoorziening;
    • e. ontwikkelen, plaatsen en verspreiden van respectievelijk, route-informatie (zoals fysieke bewegwijzering, routepanelen, digitale informatievoorziening, routebrochures);
    • f. voorbereiden en uitvoeren van promotionele en communicatieve activiteiten ten behoeve van bekendheid van provinciale en bovenregionale recreatieve routestructuren.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
      • i. De activiteiten hebben betrekking op de volgende routevormen in het landelijk gebied of op de grens tussen stad en land:
        • - wandelen (in brede zin);
        • - fietsen (in brede zin);
        • - mountainbiken;
        • - skeeleren/skaten;
        • - ruitersport;
        • - kanoën;
        • - varen/watersport;
      • ii. het project levert een bijdrage aan de recreatieve mogelijkheden van de provincie Utrecht (zoals ontbrekende schakels in routenetwerk, opheffen van tekorten in routevormen, regionale spreiding);
      • iii. de routevormen dragen bij of zijn onderdeel van een regionaal / bovenlokaal routenetwerk; en
      • iv. het beheer en onderhoud van deze voorziening is voor minimaal 10 jaar geregeld;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. de bijdrage van het project aan de gestelde doelen in het Programma Vrije Tijd 2009-2012;
      • ii. de wijze waarop en de mate waarin de projecten aansluiten op bestaande netwerken en bij voorkeur knooppunten, recreatieterreinen en horecagelegenheden;
      • iii. de mate waarin het oplossen van dit knelpunt bijdraagt aan het vervolmaken van dit regionale netwerk;
      • iv. de mate waarin meerdere groepen samenwerken om deze recreatieve routenetwerken te realiseren.
         
  • 3. Weigeringsgrond 
    In aanvulling op artikel 10 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:
    • a. subsidie al in die mate is of zal worden verleend voor gelijksoortige projecten dat er voor de provincie geen verder nut aan verbonden is;
    • b. zij is aangevraagd door een organisatie uitsluitend in het belang van de bij die organisatie aangesloten leden.
       
  • 4. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
    • b. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie voor stichtingen in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 75% van de subsidiabele kosten;
    • c. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de subsidiabele activiteiten;
      • v. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vi. reiskosten;
      • vii. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • viii. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
    • d. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. vervangingsinvesteringen;
      • ii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties;
         
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. gemeenten;
    • b. recreatieschappen;
    • c. waterschappen;
    • d. natuurlijke en rechtspersonen.
       
  • 6. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen:
      N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
      N3-1-3-1 synergieprojecten water;
      N5-1-1-1 ontwikkeling nationale landschappen;
      N5-2-1-2 inrichten, ontsluiten en beheren van erfgoed;
      N6-3-6-1 verbetering routenetwerk wandelen provinciale routenetwerken;
      N6-3-6-2 verbetering routenetwerk fietsen provinciale routenetwerken;
      N6-3-6-3 verbetering routenetwerk paarden provinciale routenetwerken;
      N6-3-6-4 verbetering routenetwerk kano's provinciale routenetwerken;
      N6-3-6-5 verbetering routenetwerk anders provinciale routenetwerken;
      N6-3-7-1 stuks aanleg / reconstructie bezoekerscentra
      N6-3-7-2 aanleg / reconstructie routepunten;
      N7-1-4-1 km aanleg recreatieve fiets routenetwerken (Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
      N7-1-4-2 km aanleg recreatieve wandel routenetwerken (Reconstructiegebied Gelderse Vallei);
    • b. In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een beheer- en onderhoudsplan.
       
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 313 “Bevordering van toeristische activiteiten" en 413 "Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie" en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Artikel 4.4.2 Toeristische ontwikkeling

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. haalbaarheidsstudies en marktverkenningen ten behoeve van toeristische ontwikkeling;
    • b. (her-) inrichting van dagrecreatieve voorzieningen;
    • c. investeringen in verblijfsrecreatieve voorzieningen;
    • d. innovatie in de toeristisch recreatieve bedrijvigheid door bijvoorbeeld het ontwikkelen en aanbieden van nieuwe arrangementen en andere recreatieve toeristische producten;
    • e. professionalisering van toeristisch recreatieve ondernemers door het organiseren van trainingen en bedrijfsadviezen;
    • f. voorbereiden en organiseren van toeristisch-recreatieve evenementen.
       
  • 2. Nadere criteria
    • a. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
      • i. het project levert een bijdrage aan de recreatieve mogelijkheden van de provincie Utrecht;
      • ii. het project komt zonder subsidie niet of later tot stand;
      • iii. het project sluit aan bij het beleidsprogramma Vrije Tijd van de provincie Utrecht;
      • iv. de recreatieve voorziening waarvoor een investering wordt gevraagd, is levensvatbaar op de lange termijn;
    • b. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria:
      • i. de mate waarin het project vernieuwend is en voldoende origineel;
      • ii. de mate waarin het project gericht is op vergroting van de veelzijdigheid van het aanbod of in de verbreding van het publieksbereik.
         
  • 3. Weigeringsgrond 
    In aanvulling op artikel 10 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:
    • a. subsidie al in die mate is of zal worden verleend voor gelijksoortige projecten dat er voor de provincie geen verder nut aan verbonden is;
    • b. zij is aangevraagd door een organisatie uitsluitend in het belang van de bij die organisatie aangesloten leden.
       
  • 4. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Voor ondernemingen geldt een maximum subsidie van € 200.000 over 3 belastingjaren.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;
      • iv. aan derden betaalde kosten voor opleiding en training;
      • v. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • vi. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vii. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • viii. reiskosten;
      • ix. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • x. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten;
    • c. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten:
      • i. vervangingsinvesteringen;
      • ii. kosten voor beheer en onderhoud;
      • iii. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties;
         
  • 5. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan worden verstrekt aan:
    • a. overheden;
    • b. natuurlijke en rechtspersonen
       
  • 6. Aanvraag
    • a. De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de projectactiviteiten plaatsvinden. Het programmabureau adviseert aan GS over de aansluiting van het project op het gebieds- en uitvoeringsprogramma. Voor dit onderdeel zal dat zijn op basis van een weging van het project ten opzichte van een van de volgende doelen: 
      N1-1-9-1 projecten bijdragend aan jaarplan nationaal park;
      N5-1-1-1 ontwikkeling nationale landschappen; 
      N6-3-1-1 ha verwerven ontwikkeling nieuw dagrecreatie terreinen;
      N6-3-1-2 inrichten ontwikkeling nieuw dagrecreatie terreinen;
      N6-3-1-3 beheren ontwikkeling dagrecreatie terreinen;
      N6-3-1-4 reconstructie ontwikkeling bestaande dagrecreatie terreinen;
      N6-3-7-3 versterken toeristische ontwikkeling;
    • b. Een aanvraag voor investering in een recreatieve voorziening gaat gepaard met een dekkend exploitatieoverzicht waarmee de levensvatbaarheid van de voorziening op de lange termijn wordt aangetoond.
       
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013
    • a. Voor zover de activiteiten leiden tot voordeel voor een onderneming wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de Verordening (EG) 1998/2006, PbEU 2006, L379/5, betreffende de-minimissteun;
    • b. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees  lattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 313 “Bevordering van toeristische activiteiten en 413 Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Hoofdstuk 5 Inzet gebiedsorganisaties

 

Artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties

  • 1. Subsidiabele activiteiten 
    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op:
    • a. draagvlakontwikkeling voor planvorming en uitvoering: dit zijn activiteiten op het gebied van communicatie, voorlichting, participatie en draagvlakversterking. Hierbij gaat het onder meer om het ontwikkelen en uitgeven van informatiemateriaal en het organiseren van informatiebijeenkomsten;
    • b. het opstellen en voorbereiden van een gebiedsplan en het daarbij behorende uitvoeringsprogramma;
    • c. monitoring en evaluatie van een gebiedsplan;
    • d. de begeleiding en uitvoering van het uitvoeringsprogramma behorend bij een gebiedsplan zoals het adviseren van aanvragers en het voeren van intakegespreken;
    • e. het beheer van de plaatstelijke Leadergroep, het verwerven van vakkundigheid van deze groep en dynamisering van het Leadergebied;
    • f. het secretarieel ondersteunen van de AVP gebiedscommissie;
    • g. het inhuren van adviseurs;
    • h. het inrichten en beheren van een (financiële) administratie.
       
  • 2. Nadere criteria 
    De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien per AVP-gebied voor proceskosten maximaal 15% van het budget wordt gereserveerd in het (concept) gebiedsprogramma.
     
  • 3. Hoogte subsidie
    • a. De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten en wordt bepaald op basis van de opgave, ureninzet en financiële middelen van Dienst Landelijk Gebied, provincie en derden.
    • b. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval:
      • i. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten;
      • ii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • iii. loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie;
      • iv. kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • v. kosten voor de huur van kantoorruimte ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten;
      • vi. kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten;
      • vii. vacatiegelden;
      • viii. reiskosten;
      • ix. accountantskosten, voor zover van toepassing;
      • x. kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten.
         
  • 4. Subsidieontvangers 
    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan gebiedsorganisaties die een formele rol hebben in het gebiedsproces.
     
  • 5. Aanvraag 
    De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. 
    De aanvraag van een Leadergroep, loopt via de gebiedsorganisatie voor het betreffende  AVP-gebied.
     
  • 6. Verplichtingen subsidieontvanger 
    De subsidieontvanger dient jaarlijks een activiteitenplan in op basis waarvan de opgave  wordt bepaald.
     
  • 7. Europese regelgeving en POP2 2007-2013 
    Voor de subsidiabele kosten genoemd in het derde lid, sub b, onderdeel v, wordt gebruik gemaakt van middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregelen 431 “Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en de dynamisering van het gebied” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. Als basis hiervoor dient het door gedeputeerde staten geselecteerde en door de Europese commissie goedgekeurde ontwikkelingsplan van de betreffende plaatselijke groep. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

 

Artikel 6.1 Inwerkingtreding

Deze uitvoeringsverordening treedt in werking op 1 januari 2011. Als het provinciaal blad
wordt uitgegeven na 31 december 2010 treedt de uitvoeringsverordening in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad.

Artikel 6.2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht.

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Utrecht van 26 oktober 2010.
Gedeputeerde staten,

R.C. ROBBERTSEN, voorzitter.
H.H. SIETSMA, secretaris.

Uitgegeven 30 november 2010
Gedeputeerde Staten van Utrecht,
namens hen
H.H. SIETSMA, secretaris

 

Bijlage 1: overzicht van POP2-maatregelen Maatregel

Maatregel  
AS 1 Concurrentie vergroting Landbouw
111 Beroepsopleiding en voorlichting
121 Modernisering landbouwbedrijven
125 Verbetering en ontwikkeling infrastructuur
   
AS 2 Verbetering kwaliteit van natuur en landschap door steun voor beheer van platteland
216 Niet-productieve investeringen
   
AS 3 Diversificatie, recreatie, dorpsvernieuwing & leefbaarheid
311 Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten
311b 311 Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten
b. Hernieuwbare energie
312 Steun voor oprichting micro-ondernemingen
313 Bevordering van toeristische activiteiten
321 Basisvoorzieningen voor de economie
321b 321 Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking
b. Hernieuwbare energie
322 Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling
323 Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed
341 Verwerving van vakkundigheid tbv ontwikkelingsstrategie
   
AS 4 LEADER
411 Uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën AS1
412 Uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën AS2
413 Uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën AS3
421 Uitvoering van samenwerkingsprojecten
431 Beheer van de plaatselijke groep

Bijlage 2: Lijst van gebruikte afkortingen en begrippen

Afkortingen:

  • AVP: Agenda Vitaal Platteland
  • BBL: Bureau beheer landbouwgronden
  • CGBD: Catalogus Groen Blauwe Diensten
  • CHS: Cultuurhistorische Hoofdstructuur
  • Commissie: Europese Commissie
  • DLG: Dienst Landelijk Gebied
  • DR: Dienst Regelingen
  • EHS: Ecologische hoofdstructuur
  • END: doelstellingen voor ecologische (water)kwaliteit
  • EVZ: Ecologische verbindingszone
  • GS: Gedeputeerde staten
  • HUL: Het Utrechts Landschap
  • ILG: Investeringsbudget Landelijk Gebied
  • IPO: Inter Provinciaal Overlegorgaan
  • KRW: Kader Richtlijn Water
  • LAMI: Landbouw en Milieu
  • LAW: Lange afstand wandelpad
  • LBU: Landschapsbeheer Utrecht
  • LF: Lange afstand fietspad
  • LOP: Landschapsontwikkelingsplan
  • MJP2: meerjarenprogramma rijk 2007-2013
  • MTR: maximaal toelaatbaar risico voor waterkwaliteit
  • NM: Natuurmonumenten
  • NPUH: Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug
  • OBN: Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuur
  • PMJP: provinciaal meerjarenprogramma 2007-2013
  • PNB: (rijks)regeling particulier natuurbeheer
  • POP2: Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013
  • PS: Provinciale staten
  • RodS: Recreatie om de Stad
  • SAN/SN: Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer / Subsidieregeling Natuur, tezamen programma beheer
  • SBB: Staatsbosbeheer
  • SILG: Subsidieverordening inrichting landelijk gebied provincie Utrecht 2006
  • SVGV: Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei
  • Wbb: Wet beheer bodembescherming
  • WILG: Wet inrichting landelijk gebied

Bijlage 3: overzicht van programmabureau’s

Bij de meeste aanvragen voor subsidie is een advies van een programmabureau noodzakelijk.
Dit is opgenomen onder het kopje aanvraag in het subsidiekader. Deze eis geldt niet als
het gaat om een project dat de gehele provincie bestrijkt of meer dan twee AVP-gebieden.

OVERZICHTKAARTJE AVP GEBIEDEN PROVINCIE uTRECHT LIGT TER INZAGE IN HET DOCUMENTATIECENTRUM VAN DE PROVINCIE UTRECHT, tel.nr. 030-2583476

De programmabureaus waar u zich op dit moment tot kunt wenden voor ondersteuning
zijn:
de Venen (030) 2583871 Website: www.devenen.nl
de Waarden (0348) 557198 Website: www.utrechtsewaarden.nl/
Gelderse Vallei - Eemland (033) 2776390 Website: www.svgv.nl
Utrechtse Vecht en Weiden (030) 2583673 Website: www.utrechtsevechtenweiden.nl
Utrecht Stad en Land (030) 2344411 Website: geen
Kromme Rijn (0343) 438460 Website: www.streekhuiskrommerijn.nl/
Heuvelrug (0346) 332590 Website: www.heeldeheuvelrug.nl

Bijlage 4: Toetsingscriteria bij prioritering verplaatsing intensieve veehouderij

Criterium Categorie

Score (punten)

1. Depositiereductie Ammoniak   score a maal score b/2830
a. Depositie op rand natuurgebied volgens afstandtabel uit de Interim Wet mol ammoniak/ha/jr
 
 
b. Oppervlakte natuur binnen 3 km vanaf het bedrijf. (100% is 2830 ha) score volgens a maal b/2830 oppervlakte in ha/2830
 
 
2. Natuurbeschermingsstatus (prioriteiten volgens parel GMP). Habitat richtlijn, NB-wet, parel score op criterium 1 maal 3
  prioritaire natuur score op criterium 1 maal 2
  oveige verzuringsgevoelige natuur score op criterium 1 maal 1
3. Ontwikkeling andere functies    
  grond voor EHS per ha 50 punten 50 * ha
  grond voor waterberging per ha 25 punten 25 * ha
  grond voor structuurversterking landbouw /
extensivering per ha
25 punten
25 * ha
  grond voor recreatieper ha 25 punten 25 * ha
  opheffen stankbelasting van een of meer overbelaste
objecten
25 
4. Kosteneffectiviteit verplaatsing totale kosten gedeeld door de score op doelbereik score op 2 + score op 3 gedeeld door de kosten van
de verplaatsing

 

Toelichting op de regeling

Toelichting

Algemene toelichting

Aanleiding
Vanaf 2007 is De Agenda Vitaal Platteland (AVP), een meerjarenprogramma (2007 - 2013)
waarin provincies, gemeenten, boeren en maatschappelijke organisaties, werken aan een
krachtig landelijk gebied in 7 deelgebieden. Elk gebied is een samenwerkingsverband van
gemeenten, waterschappen en diverse organisaties. Ze hebben elk een eigen gebieds-commissie
en programmabureau. Elk AVP-gebied bepaalt dus zelf met welke projecten zij de
AVP-doelen willen bereiken. De gebiedscommissie stelt de uitvoeringsprogramma’s op. Een
programmabureau voert de programma's uit. Dit zijn de AVP-gebieden:

  • 1. Gelderse Vallei/Eemland;
  • 2. Utrechtse Heuvelrug;
  • 3. Kromme Rijnstreek;
  • 4. Stad en Land Utrecht;
  • 5. Utrechtse Vecht en Weiden;
  • 6. De Venen;
  • 7. De Utrechtse Waarden.

Subsidieregelgeving AVP
Om de doelen van de AVP te realiseren kan gebruik gemaakt worden van de inzet van drie
instrumenten. Het betreft de inzet van de Dienst Landelijk Gebied/Dienst Regelingen, het
verstrekken van opdrachten en het verstrekken van subsidies.

Voor wat betreft de subsidies zijn er 3 regelingen inzetbaar:

  • 1. Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht;
  • 2. Subsidieverordening particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties ILG provincie Utrecht 2008;
  • 3. Subsidieverordening inrichting landelijk gebied provincie Utrecht 2006

Waar het in de eerste 2 verordeningen gaat om subsidies gericht op beheer en aankoop van
grond ten behoeve van natuur gaat het bij de SILG om het subsidiëren van projecten binnen
de thema’s natuur, landschap en sociaaleconomische vitalisering. Provinciale staten van
Utrecht hebben op 11 december 2006 de Subsidieverordening inrichting landelijk gebied
provincie Utrecht 2006 vastgesteld en op 26 april 2010 gewijzigd. Inmiddels is op 26 september
de nieuwe Algemene Subsidieverordening Provincie Utrecht (Asv) vastgelsteld volgens
de principes klantgeoriënteerd, effectief, efficiënt en rechtmatig. De nieuwe Asv treedt
op 1 januari 2011 in werking. Daarmee is de Silg ingetrokken.

In artikel 3 van Asv is bepaald dat gedeputeerde staten subsidie kunnen verstrekken.
In artikel 28 staat dat ze dit doen voor activiteiten als bedoeld in de Agenda vitaal platteland
(AVP) provincie Utrecht en de maatregelen 111, 121, 125, 216, 311, 311b, 312, 313, 321, 321b,
322, 323, 341, 411, 412, 413, 421, 431 van het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2).
Hiervoor hebben Gedeputeerde staten deze uitvoeringsverordening vastgesteld conform
artikel 4 van de Asv.

Deze uitvoeringsverordening bevat de nadere regels voor subsidieverlening, in het kader
van de Agenda Vitaal Platteland (AVP). Op grond van artikel 3 van de Subsidieverordening
inrichting landelijk gebied provincie Utrecht 2006 kunnen gedeputeerde staten van Utrecht
subsidie vaststellen. In dit subsidiekader is per thema en maatregel aangegeven:

  • - welke activiteiten subsidiabel zijn;
  • - welke criteria daarvoor van toepassing zijn;
  • - waarvoor subsidie geweigerd kan worden;
  • - wat het maximale subsidiebedrag is of de maximale percentage en welke kosten voor financiering in aanmerking kunnen komen;
  • - welke partijen kunnen aanvragen;
  • - hoe de procedure loopt voor de subsidieaanvraag;
  • - welke verplichtingen in aanvulling op de ILG verordening van toepassing zijn;
  • - en welke Europese regelgeving en POP2 maatregelen van toepassing zijn.

De activiteiten die via de maatregelen 111, 121, 125, 216, 311, 311b, 312, 313, 321, 321b, 322, 323,
341, 411, 412, 413, 421, 431 (zie ook bijlage 1) van het plattelandsontwikkelingsprogramma
(POP2) gesubsidieerd worden, zijn niet uitgewerkt in dit subsidiekader omdat het POP2
een apart subsidieprogramma vormt. Wel is in dit subsidiekader aangegeven voor welke
POP2 maatregelen de provincie cofinanciering beschikbaar stelt. Deze cofinanciering
wordt uitsluitend verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen
in het Plattelandsontwikkelingsprogramma. De bovenstaande POP2 voorwaarden staan
beschreven in maatregelenfiches die op de volgende site van het regiebureau POP kunnen
worden opgevraagd. Zie: http://www.regiebureau-pop.eu/nl/info/4/.

Staatssteun
Controle op overheidssteun - waaronder steun door decentrale overheden - aan ondernemingen
is een van de belangrijkste onderdelen van het mededingingsbeleid binnen de
Europese Gemeenschap. Een van de doelen van de Europese wet- en regelgeving is het
scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden voor alle ondernemingen op de gemeenschappelijke
markt. De maatregelen van de overheid die concurrentievervalsend uitpakken
door onterecht voordelen te scheppen voor ondernemingen of bepaalde producties
daarvan, zijn daarom niet toegestaan. Er zijn echter vrijstellingen voor specifieke activiteiten
van bepaalde doelgroepen. In elk artikel wordt hieraan gerefereerd. Het AVP subsidiekader
maakt gebruik van de ruimte die Europese wet- en regelgeving biedt. In het geval een landbouw-
of MKB onderneming een subsidieaanvraag indient dan wordt hieraan getoetst.

Aanvraagprocedure
Jaarlijks stellen GS een subsidieplafond vast op basis van uitvoeringsprogramma’s die door
de gebieden zijn opgesteld. De gebieden maken in feite een begroting van een jaar voor de
projectactiviteiten in hun gebied. De programmabureaus zorgen voor een actieve werving
van projecten. Vervolgens kunnen aanvragers zich richten tot de programmabureaus voor
het indienen van een voorstel. De programmabureaus helpen de aanvragers met het compleet
maken van de aanvrager en het verkrijgen van een beleidsadvies van de provincie. In
het geval van een Leader aanvraag vindt er een beoordeling plaats door een plaatselijke
groep. In bijlage 3 staan de contactgegevens van de verschillende programmabureaus.

Aanvraagformulieren en andere documenten waar in dit subsidiekader naar wordt verwezen
zijn (zoveel mogelijk) te vinden op de website van de provincie Utrecht. Op www.provincieutrecht.
nl/AVP vindt u een link naar de betreffende documenten en kaarten. Als dat niet het
geval is, staat de contactpersoon genoemd, die u kan helpen aan verdere informatie.

Na een positief advies van het programmabureau, en een beleidsmatige prétoets van een
beleidsadviseur binnen de provincie wordt de aanvraag formeel ingediend bij het subsidieloket
van de provincie. Per 1 januari 2011 worden de aanvragen behandeld via nieuwe meer
eenvoudige regels. Aanvragen worden ingedeeld in één van drie categorieën: subsidie van
1.000-25.000 euro, subsidie tussen 25.000 en 125.000 euro en subsidies van 125.000 euro
of meer. Het verschil tussen deze categorieën is de mate van verantwoording over het te
besteden budget. Voor de laagste categorie is een lichtere verantwoording nodig dan tot nu
toe gebruikelijk was. De provincie richt zich met de nieuwe werkwijze op een klantvriendelijker,
efficiënter en effectiever proces. Voor aanvragen waar ook Europese POP2 subsidie
wordt aangevraagd worden conform EU regels afgehandeld. Hiervoor kan voor wat betreft
de verantwoording niet afgeweken worden van bestaande EU regels.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1
Bepaalde begrippen worden in deze verordening gebruikt die in dit artikel een nadere definitie
krijgen. Het hanteren van deze begrippen is van invloed op de wijze waarop de subsidiecriteria
gehanteerd worden. Van belang is bijvoorbeeld wat wordt verstaan onder voorbereidingskosten
en welke loonkosten subsidiabel zijn.

Artikel 1.2
De hoogte van de subsidie en de subsidiabele kosten worden in de artikelen onder hoofdstuk
2 tot en met 5 gespecificeerd. Voor alle aanvragen in het kader van AVP zijn de in dit
artikel genoemde kosten niet subsidiabel.

Artikel 1.3
Voor aanvragen in het kader van POP is een financiële planning noodzakelijk. Dit betekent
dat voor ieder periode van 3 maanden een inschatting gemaakt moet worden van de
verwachte uitgaven..Om in het kader van Europese staatsteuneisen te kunnen toetsen of
een ondernemer en andere ondernemers die in een samenwerkingsverband zijn opgenomen,
staatsteun hebben ontvangen, is een overzicht van alle betrokken ondernemingen
noodzakelijk.

Hoofdstuk 2 Natuur

Het hoofddoel met betrekking tot natuur is behoud, herstel, ontwikkeling en duurzaam
gebruik van natuur ten behoeve van biodiversiteit en de kwaliteit van de leefomgeving voor
de mens.

Om de hoofddoelstelling van het thema natuur te realiseren, wordt de ecologische hoofdstructuur (EHS) ontwikkeld. Deze bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszonens. Hiermee ontstaat een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. De EHS wordt gerealiseerd door de aankoop van landbouwgronden die vervolgens worden omgevormd tot natuurgebied. Een alternatief is dat de huidige eigenaar zelf de natuur ontwikkeld (particulier natuurbeheer).

Het beheer van natuurgebieden en landschapselementen en het natuurvriendelijk beheer
van landbouwgronden (agrarisch natuurbeheer) wordt gesubsidieerd via het Subsidiestelsel
Natuur- en Landschapsbeheer. Ook de aanleg en het herstel van natuurgebieden en landschapselementen wordt via deze regeling gesubsidieerd.

Vanuit gebiedsgericht werken zijn in aanvulling op bovenstaande regelingen de volgende
subsidiemaatregelen inzetbaar:

  • - ontpachting op landgoederen;
  • - kwaliteitsverbetering Natuur (incl. verdrogingsbestrijding);
  • - verbeteren waterkwaliteit;
  • - communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap.

Artikel 2.1 Ontpachting op landgoederen
Veel landgoedeigenaren hebben moeite met de instandhouding van hun bezit: de kosten
lopen op en inkomsten uit pacht, jachtrechten en houtopbrengst houden daarmee geen
gelijke tred. Tegenwoordig kan 'nieuwe natuur' een mogelijke nieuwe financiële basis
vormen. Landgoederen zijn namelijk belangrijk voor het natuurbehoud. De provincie
Utrecht wil daarom landgoedeigenaren faciliteren bij het omvormen van landbouwgrond in
nieuwe natuur. Langlopende pachtcontracten kunnen echter een belemmering vormen.

Om landbouwgrond toch te kunnen omvormen naar nieuwe natuur, kan worden besloten
tot ontpachting. Hoofdregel hierbij is, dat de verpachter en pachter in goed overleg proberen
te komen tot beëindiging van een pachtovereenkomst, wanneer een van beiden dat
wil. Een provinciale subsidie kan in bepaalde gevallen helpen om ontpachting tot stand te
brengen. Het doel hiervan is tweeledig: de achterblijvende pachters kunnen bedrijfsvergroting
realiseren en de landgoedeigenaar kan een deel van de vrijkomende grond inrichten als
nieuwe natuur (particulier natuurbeheer).

Belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor subsidie is dat er dient sprake is
van een meervoudige doelstelling, met name realisering van de Ecologische Hoofdstructuur
(EHS) in combinatie met landbouwstructuurverbetering.

Artikel 2.2 Kwaliteitsverbetering Natuur
De provincie heeft de kwaliteitsdoelstellingen voor natuur beschreven aan de hand van
natuurdoelen en doelsoorten. De natuurdoelen zijn in het provinciale natuurbeheerplan
opgenomen in de vorm van beheertypen. Voor soorten zijn er soortenbeschermingsplannen
opgesteld. Vanaf 2008 is het soortenbeleid vervangen door de leefgebiedenbenadering.
Daarnaast zijn er (kwaliteits)doelstellingen voor natuur vastgelegd in tal van
gebiedsvisies en -plannen, in het Programma Ecologische Verbindingszones ( 2002-2004)
en in beheerplannen voor Natuurbeschermingswetgebieden.

Kleinschalige inrichtingsmaatregelen in bos- en natuurterreinen
Subsidies kunnen worden aangevraagd voor herstel van heide, de omvorming van uitheems
naar inheems bos, bestrijding van exoten (bijvoorbeeld de Amerikaanse vogelkers), verbeteren
van het leefgebied van zeldzame soorten, herstel van vennen en andere kleinschalige
maatregelen in bos- en natuurterrein.

Inrichting van ecologische verbindingen en faunapassages
Grondeigenaren en gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor ecoducten en faunapassages
waarmee de barrièrewerking van gemeentelijke wegen en van watergangen worden
opgeheven.

Bestrijding van vedroogde gebieden In Utrecht zijn natuurgebieden aangewezen die de komende jaren extra aandacht krijgen.
TOP-gebieden zijn verdroogde gebieden. Zij kampen met te weinig of vervuild water.
Het gaat hier om de 12 belangrijkste verdroogde natuurgebieden, zowel Natura 2000
gebieden van internationaal belang als NB- wetgebieden van nationaal belang.
Op de kaart met verdroogde gebieden (bijlage 3) betreft dat de volgende categorieën:
Ook zijn er een aantal SUBTOP-gebieden aangewezen. Deze natuurgebieden zijn van regionaal
of lokaal belang. De TOP-gebieden zijn opgenomen in de bestuursovereenkomst ILG
tussen de Provincie Utrecht en het Rijk.

Naast het subsidiëren van noodzakelijke inrichtingskosten voorziet deze verordening in het
compenseren of voorkomen van de gevolgen van de inrichtingsmaatregelen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het uitbetalen van vernattingsschade en het aanbrengen van
extra afwateringsmiddelen, zoals het aanleggen van sloten. In het geval van landbouwgrond
kan gebruik worden gemaakt van POP2 subsidie.

Beheermaatregelen Subsidie kan ook worden aangevraagd voor het uitvoeren van beheermaatregelen, het uitvoeren van beheerexperimenten of het voorbereiden daarvan. Voorwaarde is dat de maatregelen niet vanuit een andere regeling subsidie ontvangen.

Artikel 2.3 Verbeteren waterkwaliteit
Dit artikel geeft invulling aan de provinciale beleidsdoelen die zijn beschreven in:

  • - Provinciale Milieubeleidsplan (PMP);
  • - Provinciale Waterplan;
  • - Progamma klimaat, landbouw op orde;
  • - KRW-doelen voor Grond- en oppervlaktewater realiseren (Waterplan Deelplan KRW 2010-2015);
  • - ecologische waterkwaliteit buiten KRW wateren;
  • - Robuust duurzaam watersysteem zie Waterplan en Deelplan KRW (2010-2015) en SGBP Rijndelta 2009;

De maatregel wordt voornamelijk uitgevoerd door gebruik te maken van middelen uit het
POP2, 216: Niet-productieve investeringen en die gericht zijn op landbouwgebieden.

Artikel 2.4 Communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap
De provincie Utrecht wordt gekenmerkt door een grote diversiteit aan landschappen. Dit
maakt de provincie aantrekkelijk. De natuur vormt een belangrijke basis voor een aantrekkelijk
landelijk gebied. Landschappen en natuurgebieden hebben een belangrijke educatieve
en recreatieve waarde voor de burgers van de provincie Utrecht. Met name het Nationaal
Park Utrechtse Heuvelrug richt zich op het bevorderen van natuurgerichte recreatie,
communicatie en educatie in haar activiteiten. Deze maatregel heeft daarom tot doel om
bovenlokale initiatieven te ondersteunen voor het versterken van draagvlak, kennis en belevingswaarde
ten aanzien van natuur en landschap.

Hoofdstuk 3 Landschap en Cultuurhistorie

De hoofddoelen met betrekking tot landschap en cultuurhistorie zijn behoud en versterking
van de identiteit van verschillende landschapstypen en het vernieuwen van het landschap,
met herkenning van het verleden. De provincie Utrecht telt 5 Nationale Landschappen.
Dat zijn Nederlandse landschappen die internationaal zeldzaam of uniek zijn. Deze landschappen zijn gebieden met een bijzondere cultuurhistorie: ze vertellen op welke manier
het Utrechtse landschap is ontstaan. Onder het thema ‘landschap en cultuurhistorie’ vallen
de volgende maatregelen:

  • - behoud en ontwikkeling van landschappelijke structuren en elementen;
  • - pilots groen en blauwe diensten;
  • - behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen.

Artikel 3.1 Behoud en ontwikkeling van landschappelijke structuren en elementen
Utrecht heeft een grote diversiteit van landschappen, die hoog gewaardeerd zijn. Zij zijn
voor een groot deel aangewezen als Nationaal Landschap. De landschappelijke kwaliteiten
staan onder druk. Om de kernkwaliteiten van de Utrechtse landschappen te ontwikkelen en
versterken wordt de “Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen” gemaakt. Deze zijn
gebaseerd op de partiële herziening structuurvisie Utrecht Nationale landschappen (vastgesteld medio 2010). Subsidies worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan:

  • - landschappelijke identiteit;
  • - landschappelijke structuren;
  • - tegengaan van verrommeling;
  • - landschappelijke inpassing;
  • - landschapselementen;

Het kan daarbij gaan om het opstellen van beeldkwaliteitsplannen, onderzoek of kleine
inrichtingsmaatregelen.

Artikel 3.2 Pilots groen en blauwe diensten
Doel van dit experiment is ervaring op te doen met het gebiedsgericht formuleren en uitvoeren
van groenblauwe diensten. Dit levert o.a. input op voor het onderdeel ‘regionaal
maatwerk’ in de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). Daarnaast worden
er doelen gerealiseerd uit de AVP-gebiedsprogramma’s op het gebied van recreatieve ontsluiting, natuur- en landschapsbeheer, waterbeheer en soortenbescherming.
Met deze regeling wordt het ‘experiment groenblauwe diensten in Utrecht West’ juridisch
mogelijk gemaakt. Het gaat om een tijdelijke regeling. De regeling zal uiteindelijk, na evaluatie,
(deels) worden opgenomen in het regionale maatwerk van de SNL.
Deelnemende partijen sluiten contracten voor groenblauwe diensten af voor bepaalde tijd.
Deelnemende partijen hebben de intentie om deze subsidiëring na deze experimentele fase
voort te zetten, maar daar kunnen aanvragers nog geen rechten aan ontlenen. Voortzetting
wordt mede bepaald door de invulling van het regionaal maatwerk als onderdeel van de
SNL. Concreet gaat het om diensten die zijn beschreven in bijlage 5 van de verordening. De
toegestane maximale vergoedingen staan in de verschillende tabellen. De aanvrager kan
terecht bij het loket Groenblauwe Diensten Utrecht-West voor meer informatie
(zie http://www.loketgbd.nl/)

Artikel 3.3 Behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen
De provincie Utrecht zet in op het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorie door
het consolideren, restaureren, renoveren en ontwikkelen van landschappelijke-, aardkundige-
en erfgoedelementen. Daarbij hoort ook het toegang geven tot erfgoed, onder andere
door inrichtingsmaatregelen en door het leveren van publieksactiviteiten, informatie en
evenementen.
De ambities om dit doel te bereiken, staan verwoord in de ‘Cultuurnota 2009 – 2012,
Cultuur is kracht’ en krijgen vorm in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (zie ‘Ruimtelijke
Structuurvisie Provincie Utrecht’ en ‘Tastbare Tijd, Cultuurhistorische atlas van de provincie
Utrecht’). De bijbehorende plattegronden zijn raadpleegbaar via de Cultuurhistorische
Atlas: www.provincie-utrecht.nl/chat.

Hoofdstuk 4 Sociaaleconomische vitaliteit

Onder het thema sociaal economische vitaliteit zijn de economische activiteiten in het
landelijk gebied gebundeld, zoals landbouw, recreatie en toerisme. Hier speelt ook leefbaarheid (o.a. in de kleine kernen) een grote rol. De maatregelen richten zich daarom op de
bewoners en ondernemers in het landelijk gebied waarbij het samenspel met de omgeving
centraal staat. Het versterken van de identiteit door middel van culturele activiteiten en
het benutten daarvan door het vermarkten van streekeigen producten, logies en andere
recreatieve voorzieningen. Een economisch levensvatbare landbouw met aandacht voor het
toepassen van duurzamere productiesystemen wordt gestimuleerd door middel van maatregelen die gericht zijn op een betere verkaveling, toegankelijkheid van kavels en door het
toepassen van milieu-innovaties. Het bureau Lami heeft daarin een belangrijke functie in
het begeleiden van aanvragers en het initiëren en begeleiden van studiegroepen.
Onder het thema ‘sociaaleconomische vitaliteit’ vallen de volgende subthema’s:

  • - landbouwstructuurverbetering;
  • - duurzame landbouw;
  • - plattelandsontwikkeling en leefbaarheid;
  • - recreatie.

Een groot deel van de maatregelen wordt uitgevoerd door het inzetten van EU middelen in
het kader van POP2. Het POP2 is behalve een financieringsbron ook een kader voor het verlenen van toegestane staatssteun. Dit is met name het geval voor subsidies die ten goede
komen aan landbouwstructuurversterking en milieumaatregelen in de landbouw door
bedrijfsmodernisering en het uitvoeren van pilotprojecten.

Afdeling 4.1 Landbouwstructuurverbetering

Artikel 4.1.1 Kavelruil en landbouwstructuurverbetering
De provincie heeft als doel duurzame landbouw met een optimale (fysieke) landbouwstructuur.
Door het stimuleren van vrijwillige- en planmatige kavelruil wordt naast het verbeteren
van de landbouwstructuur ook beoogd andere maatschappelijke doelen te realiseren op het
vlak van natuur, landschap en recreatie.
Concreet richt de subsidie zich op aanvragen ten behoeve van individuele kavelruilovereenkomsten waarbij minimaal 3 partijen betrokken zijn, het inhuren van
een kavelruilcoördinator in een bepaald gebied, kavelaanvaardingswerken en
kavelberbeteringswerkzaamheden.

Daarnaast biedt het huidige kader de mogelijkheid om koepelaanvragen in te dienen. Dit
zijn meerjarige aanvragen waar de verschillende aspecten van landbouwstructuurverbetering
zoals bijvoorbeeld de proceskosten voor kavelruil als kavelaanvaardingswerken binnen
een bepaald gebied voor meerdere jaren kunnen worden aangevraagd.

Met de maatregelen voor landbouwstructuurverbetering wordt tevens bijgedragen aan de
afspraken tussen de provincie en het rijk zoals verwoord in de bestuursovereenkomst ILG.
Alle aanvragen worden getoetst aan de POP2 maatregel 125: Verbetering en ontwikkeling
infrastructuur. Deze toets is van belang omdat het POP2 programma de grondslag biedt
om geoorloofde staatssteun te verstrekken aan landbouwondernemers.

Artikel 4.1.2 Technische maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid kavels
Deze maatregelen zijn gericht op het versterken van de concurrentiepositie van de agrarische
sector in De Venen en de Utrechtse waarden middels aanpassingen aan ongunstige
productieomstandigheden door het verbeteren van de bereikbaarheid en bewerkbaarheid
van de landbouwgronden in relatie tot de hoge grondwaterstand. Deze subsidie is een
opvolger van delen van de Kwaliteits Impuls Groene Hart en geldt alleen voor Utrecht West
vanwege de specifieke bodem en bijbehorende ongunstige productieomstandigheden in dat
gebied.
Investeringen in de bereikbaarheid en bewerkbaarheid van landbouwgronden kunnen
betrekking hebben op bereikbaarheid van percelen en kavels door machines en door vee.
Mogelijke investeringen zijn daarbij de aanleg van kavelpaden op landbouwgronden.

Artikel 4.1.3 Brede banden
Naast de mogelijkheid om kavelpaden aan te leggen biedt de huidige regeling ook de mogelijkheid voor de aanschaf van brede banden. Voor deze maatregel is geen POP2 subsidie
mogelijk.

Artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven
De provincie bevordert met deze maatregel de grondverwerving voor het realiseren van
provinciale doelen in het landelijk gebied voor natuur (realiseren EHS), recreatie, landschap,
water en het verbeteren van de ruimtelijke structuur van de landbouw. Het verplaatsen
van een grondgebonden bedrijf houdt in dat de aanvragende partij de activiteit
op de oude locatie beëindigd en elders weer opnieuw begint. De grond op de oude locatie
komt daarmee beschikbaar voor bovenstaande doelen. De subsidie voorziet in de kosten
voor de hervestiging van het bedrijf en voor een deel in de investeringen op de nieuwe
locatie. Belangrijk bij deze maatregel is dat de subsidie wordt verstrekt conform EU
staatsteunregels.

Artikel 4.1.5 Verplaatsing intensieve veehouderij
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de verplaatsing van intensieve veehouderij als bedoeld in het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost, vastgesteld
krachtens artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, zoals nader bepaald in
artikel 3. De subsidie voorziet in de kosten voor de hervestiging van het bedrijf, sloopkosten
en vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen. Belangrijk bij deze maatregel is dat de subsidie wordt verstrekt conform EU staatsteunregels.

Afdeling 4.2 Duurzame landbouw
Provincie Utrecht heeft een programma Duurzame landbouw en milieu vastgesteld. Daarin
wordt aangegeven welke gebieds- en beleidsdoelen de provincie nastreeft.
Dit programma geeft invulling aan de provinciale beleidsdoelen die zijn beschreven in:

  • - Provinciale Milieubeleidsplan (PMP);
  • - Provinciale Waterplan;
  • - Progamma klimaat, landbouw op orde;
  • - Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost.

De provincie wil de landbouw ondersteunen bij het versneld en verdergaand halen van milieunormen.
Op de lange termijn streeft de provincie naar een duurzame en klimaatneutrale
landbouw die gebruikt maakt van natuurlijke hulpbronnen, kringlopen probeert te sluiten,
bijdraagt aan de kwaliteit van het Utrechtse landschap en die geen negatieve effecten veroorzaakt voor volgende generaties en omgeving.
Daarvoor worden de volgende maatregelen ingezet:

  • - pilots duurzaam ondernemen;
  • - investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van het milieu in het Reconstructiegebied;
  • - bedrijfsmodernisering;
  • - projecten duurzame landbouw.

Artikel 4.2.1 Pilots duurzaam ondernemen
Provincie Utrecht heeft in de Bestuursovereenkomst de prestatie Pilots duurzaam ondernemen
opgenomen. Deze prestatie is in het programma Duurzame landbouw en milieu
verder uitgewerkt. . De pilots duurzaam ondernemen dragen zowel bij aan de strategisch
landbouw-milieubeleid als aan de provinciale duurzaamheidsvisie Strategie Utrecht 2040.

Pilots duurzaam ondernemen zijn kennis-, advies-, demonstratieprojecten en praktijknetwerken
gericht op het verbeteren van de milieuprestatie van landbouwondernemingen door:

  • - het bevorderen van duurzaam bodembeheer;
  • - het bevorderen van een duurzame productie door het benutten van agrobiodiversiteit;

Pilots duurzaam ondernemen dragen op deze manier bij aan onder meer

  • - vermindering van emissies van en milieubelasting door ammoniak;
  • - het beperken van de uitspoeling van nutriënten;
  • - het beperken van de uitstoot van broeikasgassen;
  • - het beperken van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen
  • - vermindering van bodemdaling;
  • - verbeteren waterbeheer ten behoeve van vergroten bergingscapaciteit en verdrogingsbestrijding.

Kenmerkend voor een demonstratieproject is het in de praktijk brengen van kennis en innovatie
en het overbrengen daarvan aan een bredere groep landbouwondernemers.

De pilots zijn opgenomen in de bestuursovereenkomst ILG tussen de Provincie Utrecht en
het Rijk. In de beoordeling van aanvragen heeft het Rijk hierin een toetsende rol.
Alle aanvragen worden getoetst aan de POP2 maatregel 111: Beroepsopleiding en voorlichting.
Deze toets is van belang omdat het POP2 programma de grondslag biedt om geoorloofde
staatssteun te verstrekken aan landbouwondernemers.

Artikel 4.2.2 Investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van het milieu in het
Reconstructiegebied
Deze maatregel is gericht op investeringen gericht op het verminderen van de milieubelasting
van de agrarische sector in het Reconstructiegebied. Het gaat hierbij om het beperken
van emissies van ammoniak, bestrijdingsmiddelen, fijnstof en voor het beperken van geurhinder.
Doel van de maatregel is om de water- en bodemkwaliteit in aangewezen natuurgebieden
(Nb-wet en EHS) te beperken. Belangrijk bij deze maatregel is dat de subsidie
wordt verstrekt conform EU staatsteunregels.

Artikel 4.2.3 Bedrijfsmodernisering
Bedrijfsmodernisering van landbouwbedrijven zijn investeringen die primair bedoeld zijn
om verzuring en vermesting tegen te gaan maar de investeringen kunnen ook worden
ingezet voor het verbeteren van de milieuprestatie van agrarische bedrijven op ander onderdelen van de bedrijfsvoering zoals het beperken van het energiegebruik.

Met deze maatregel wordt tevens bijgedragen aan de afspraken tussen de provincie en
het rijk zoals verwoord in de bestuursovereenkomst ILG. Het gaat daarbij om het doel
brongerichte maatregelen tegen vermesting. Alle aanvragen worden getoetst aan de POP2
maatregel 121: Modernisering landbouwbedrijven. Deze toets is van belang omdat het
POP2 programma de grondslag biedt om geoorloofde staatssteun te verstrekken aan
landbouwondernemers.

Artikel 4.2.4 Projecten duurzame landbouw
Projecten voor duurzaam ondernemen zijn gericht op het aanbieden van cursussen, studiegroepen en collectieve adviezen in de vorm van gesubsidieerde diensten die als doel hebben het verbeteren van de milieuprestatie van agrarische bedrijven. De projecten moeten leiden tot aantoonbare milieuwinst op de in het artikel genoemde terreinen. Belangrijk bij deze
maatregel is dat de subsidie wordt verstrekt conform EU staatsteunregels.

Artikel 4.2.5 Projecten duurzame energie
Provincie Utrecht heeft in 2008 het Klimaatprogramma, Klimaat op Orde vastgesteld.
Onderdeel hiervan is het project Landbouw op Orde. Tevens heeft de provincie in 2010
het Programma Duurzame Landbouw en Milieu vastgesteld. Hierin zijn de opgaven en
prestaties beschreven met betrekking tot energie en klimaat in het landelijk gebied. In het
kader van de Agenda Vitaal Platteland worden middelen ingezet ten behoeve van dit thema
ondanks dat klimaat en energie geen AVP doelen op zich zijn. Wel kunnen doelen voor klimaat
en energie samengaan met andere AVP doelen, zoals verbrede landbouw, landschapen
natuurbeheer, water en reconstructie.

De provincie wil met name inzetten op energiebesparing en duurzame energie gekoppeld
aan het primaire productieproces. De voorkeur gaat uit naar innovatieve maatregelen en
maatregelen die bijdragen aan de verduurzaming van het agrarisch bedrijf als geheel (geen
afwenteling, sluiten van kringlopen, verbreding inkomen, MVO) of anders gezegd: maatregelen
moeten betrekking hebben op meerdere aspecten van het afwegingskader duurzaamheid.
Biomassaprojecten moeten aansluiten bij de provinciale visie op gebruik biomassa.

Artikel 4.3.1 Verbrede landbouw
De provincie Utrecht zet in op een veelzijdig en vitaal Utrechts Platteland. De ambities
die geformuleerd zijn om dit doel te bereiken staan in het visie en activiteitenprogramma
Platteland in ontwikkeling 2006 – 2009. Bij diversificatie naar niet agrarische activiteiten
heeft de provincie de ambitie ‘Vraaggericht ondernemen voor de Utrechtse samenleving’
voor ogen. De provincie heeft als doelen groei van verbrede landbouw en ‘nieuw’ ondernemer-
schap door grotere professionaliteit van ondernemers en samenwerkingsverbanden.

Artikel 4.3.2 Streekidentiteit
De provincie Utrecht zet in op een veelzijdig en vitaal Utrechts Platteland. De ambities
die geformuleerd zijn om dit doel te bereiken staan in het visie en activiteitenprogramma
Platteland in ontwikkeling 2006 – 2009.
Bij de maatregel vergroten professionaliteit van ondernemers en samenwerkingsverbanden
heeft de provincie de ambities ‘Vraaggericht ondernemen voor de Utrechtse samenleving’
en ‘Benutten van het Utrechtse natuurlijke en sociale kapitaal’ voor ogen. De provincie heeft
als doel het vergroten van de professionaliteit van ondernemers en samenwerkingsverbanden
gericht op vraag- en klantgericht ondernemen en ketensamenwerking.
De provincie ziet het als een uitdaging voor ondernemers om met de streekcultuur van het
platteland rekening te houden en deze te benutten en te ‘vermarkten’, de streekidentiteit en
de streekcultuur versterken de plattelandseconomie.

Artikel 4.3.3 Leefbaarheid
Bij leefbaarheid op het platteland en de kleine kernen gaat het om de aanwezigheid van
voorzieningen waar de betreffende bewoners behoefte aan hebben en om de verbindende
elementen. Voorzieningen kunnen zowel buurtsupers als maatschappelijke voorzieningen
(scholen, dorpshuizen, sportverenigingen) zijn. Bij verbindende elementen denken we
zowel aan organisatievormen als dorpsraden en bewonerscommissies als incidentele
gebeurtenissen zoals evenementen.

Afdeling 4.4 Recreatie
De provincie bevordert in haar beleid de toeristische beleving van Utrecht en laagdrempelige
recreatiemogelijkheden dicht bij huis. In het landelijk gebied ligt de prioriteit bij nieuwe
recreatiegebieden bij de stad, ontsluiting van het landelijk gebied met recreatieve routes en
versterking van de belevingswaarde en ondernemerschap. Om dit te bereiken zijn de volgende
maatregelen inzetbaar:

  • - provinciale routenetwerken en toegankelijkheid;
  • - toeristische ontwikkeling.

Artikel 4.4.1 Provinciale routenetwerken en toegankelijkheid
Provinciaal beleid voor recreatie en toerisme is vastgesteld in het Beleidsprogramma Vrije
Tijd 2009-2012. De provincie heeft zich tot doel gesteld de toeristisch-recreatieve kwaliteiten
van de provincie verder te versterken om zoveel mogelijk aan de recreatieve behoefte
van onze inwoners en bezoekers te voldoen. De provincie Utrecht wil de routevormen wandelen
(w.o. boerenlandpaden), fietsen, mountainbiken en skeeleren/skaten actief stimuleren
en medewerking verlenen aan ruitersport, watersport en kanoën. De routeactiviteiten in het
buitengebied kunnen rekenen op een brede publieksbelangstelling en participatie.

Artikel 4.4.2 Toeristische ontwikkeling
Provinciaal beleid voor recreatie en toerisme is vastgesteld in het Beleidsprogramma Vrije
Tijd 2009-2012. De provincie heeft zich tot doel gesteld de toeristisch-recreatieve kwaliteiten
van de provincie verder te versterken om zoveel mogelijk aan de recreatieve behoefte van onze inwoners en bezoekers te voldoen.

Hoofdstuk 5 Inzet gebiedsorganisaties

Artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties
De gebiedsorganisaties kunnen subsidie krijgen voor procesvoering: de kosten die gepaard
gaan met de ondersteuning om tot projecten te komen. Verder kunnen gebiedsorganisaties
subsidie krijgen om de uitvoeringskosten te dekken. Dit zijn de kosten die gebiedsorganisaties
maken om de taak die ze van de provincie gekregen hebben, uit te voeren. Ook de kosten van de plaatselijke Leadergroepen vallen hieronder.