17 structurerende principes van het UPLG

Het UPLG beschrijft beleid voor de komende tien jaar voor een sterk, toekomstbestendig en gezond/vitaal landelijk gebied. De invulling hiervan hebben we beschreven in 17 ‘structurerende principes'. 

17 structurerende principes van het Utrechts Programma Landelijk Gebied
17 structurerende principes UPLG.

1. Landschappen als basis

We nemen de vijf Utrechtse landschappen en de door de landschappen lopende hoofdstructuren als basis voor de aanpak in het landelijk gebied. 

Het landschap van de provincie Utrecht is gevarieerd. Dat willen we behouden en ontwikkelen. Daarom hebben we de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen gemaakt. Deze beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen en hoe hiermee rekening kan worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

De kernkwaliteiten zijn ook vastgelegd in de Omgevingsvisie en -verordening en zijn het vertrekpunt voor de uitvoering van het UPLG. We beginnen bij de vraag hoe het landschap is ontstaan en wat de cultuurhistorische achtergrond is. In 2027 wordt de Kwaliteitsgids aangevuld met nieuwe inzichten.

Meer informatie op de pagina over landschap

2. Opgaven combineren

We combineren waar mogelijk ruimte vragende opgaven met elkaar, zowel die vanuit de UPLG-doelen als die vanuit andere ambities en opgaven.

Er moet veel gebeuren in het landelijk gebied. Omdat de ruimte beperkt is, combineren we zoveel mogelijk maatregelen. Welke kansen daarvoor bestaan, verschilt per gebied en vraagt om maatwerk. Daarom werken we gebiedsgericht. De provincie is opgedeeld in negen deelgebieden met elk een eigen gebiedsagenda. Deze agenda's vormen de basis voor gebiedsprocessen. Samen met betrokken partijen pakken we de doelen en maatregelen uit het UPLG op.

Meer informatie op de pagina over provinciaal gebiedsprogramma

3. Versterken stad-land relatie

We versterken de verbinding tussen stad en land met focus op groenblauwe en recreatieve verbindingen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en regionaal voedsel.

In Utrecht liggen stad en platteland dicht bij elkaar en zijn ze onlosmakelijk verbonden. Toch staat het groen onder druk, terwijl een groene omgeving essentieel is voor gezondheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Met geld van het UPLG wordt een belangrijke financiële bijdrage geleverd aan onder andere Groen Groeit Mee, de realisatie van groenblauwe dooradering, beleefbaar groen, nieuw bos, natuurvriendelijke oevers en otterverbindingen.

We werken bijvoorbeeld samen met gebiedspartners in het Kromme Rijn Linie Landschap aan een landschap dat toekomst biedt aan bewoners, agrariërs, natuur en recreatie. Zo kunnen er nieuwe wandel- en fietsroutes en natuurvriendelijke oevers komen. Kan de waterberging en -kwaliteit worden verbeterd. Door de opgaven te combineren wordt de cultuurhistorie en het landschap zichtbaar en beter.

Meer informatie in het nieuwsbericht over de samenwerkingsovereenkomst Kromme Rijn Linie Landschap 

4. Maximale inzet op doelen Kaderrichtlijn Water (KRW)

We verbeteren de waterkwaliteit door vermindering van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en door het ecologisch inrichten en beheren van sloten en oevers.

In het UPLG is vastgelegd dat bij alle maatregelen wordt voorkomen dat negatieve effecten op de KRW-doelen ontstaan. Veel maatregelen uit het UPLG dragen naar verwachting juist bij aan het behalen van deze doelen. In de provincie Utrecht is vooral extra aandacht nodig voor nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en de bestrijding van invasieve exoten.

Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van residuen van gewasbeschermingsmiddelen (GBM) in het water is de provincie een onderzoek gestart. Naar aanleiding van gesprekken met betrokken partijen is het onderzoek, dat wordt uitgevoerd door het Centrum voor Landbouw en Milieu, uitgebreid met een werkgroep van belanghebbenden. Drinkwaterbedrijven, sectorpartijen en waterschappen nemen hieraan deel. Door de onderzoeksresultaten gezamenlijk te bespreken, wordt gewerkt aan een gedeeld en feitelijk beeld van de aanwezigheid van GBM in het grond- en oppervlaktewater. De rapportage wordt in het najaar verwacht.

Meer informatie op de pagina over gewasbeschermingsmiddelen 

5. Ruimte voor water

We reserveren ruimte voor de opvang van piekbuien en werken aan het vasthouden van water.

In het UPLG zijn in overleg met waterschappen zoekgebieden voor regionale waterberging opgenomen. Dit zijn gebieden waar bij extreme neerslag tijdelijk water kan worden vastgehouden, vaak met beperkte aanpassingen aan het watersysteem. In veel gevallen blijft het huidige grondgebruik mogelijk. Voordat concrete waterbergingsgebieden aangewezen kunnen worden, is meer inzicht nodig in de technische en ruimtelijke mogelijkheden van gebieden binnen het zoekgebied. Bij deze integrale ruimtelijke afweging worden grondeigenaren en andere belanghebbenden betrokken.

De zoekgebieden zijn opgenomen in de voorgestelde wijzigingen van de Omgevingsvisie en -verordening.

Meer informatie op de pagina over wateroverlast en watertekort 

6. Grondwatersysteem in balans

We geven prioriteit aan herstel van het hydrologische systeem op de Utrechtse Heuvelrug en in de Natura 2000-gebieden.

De droogteperiodes in de afgelopen jaren laten zien dat het nodig is om het watersysteem van de Natura 2000-gebieden én de Utrechtse Heuvelrug te herstellen en te behouden. Bossen, heide, vennen, landbouwgronden en landgoederen staan onder druk door droogte en klimaatverandering.  

De Blauwe Agenda richt zich op een robuust en toekomstbestendig watersysteem op de Utrechtse Heuvelrug en brengt hiervoor de provincie Utrecht, Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, terreinbeherende organisaties, landgoederen, waterschappen, belangenvereniging LTO Noord en drinkwaterbedrijf Vitens bij elkaar. 

Een belangrijk deel van de uitvoering vindt plaats binnen de samenwerkingsovereenkomst Heuvelrug en Flanken. Daarin zetten de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR), grondeigenaren, agrariërs, natuurorganisaties en andere gebiedspartners zich in voor het beter vasthouden van water en het herstel van natuurlijke waterstromen. Ook wordt onderzocht hoe landbouw en natuur onder veranderende omstandigheden in balans kunnen blijven.

Meer informatie in het nieuwsbericht over het watersysteem op de Utrechtse Heuvelrug

7. Gezonde bodems

We ondersteunen bij duurzaam bodembeheer en nemen bodemgezondheid mee in de gebiedsprocessen.

Het thema gezonde bodems wordt nader uitgewerkt in het nieuwe beleidsprogramma Bodem en Water 2028–2033. Hier vindt u de planning van de totstandkoming van dit beleidsprogramma.    

We hebben de term 'vitale bodems' in het Ontwerp-UPLG vervangen door 'gezonde bodems' in het definitieve UPLG. De term gezonde bodems sluit beter aan bij de nationale en Europese beleidsontwikkelingen. Gezonde bodem benadrukt het belang van bodems voor voedselzekerheid, schoon water, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving.

Meer informatie op de pagina over Beleidsprogramma Bodem en Water

8. Integrale aanpak beekdalen

We werken aan herstel van de beekdalsystemen in samenhang met het realiseren van de natuuropgaven

In het UPLG krijgen de beekdalen in de Gelderse Vallei prioriteit vanwege de opgaven uit de Kaderrichtlijn Water, in combinatie met de opgaven voor grootschalig herstel van de beeksystemen en de realisatie van natuurdoelen.

Samen met Waterschap Vallei en Veluwe werken we tot 2028 aan de herinrichting van zes locaties langs vier beken: de Lunterse Beek, Heiligenbergerbeek, Moorsterbeek en de Heigraaf. Hierbij zoeken wij op vrijwillige basis de samenwerking met perceeleigenaren. De eerste gesprekken hebben plaatsgevonden; in het najaar start het ontwerpproces. 

Meer informatie op de pagina over de Gelderse Vallei

9. Herstel natuur in Natura 2000-gebieden

Natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit zijn kaderstellend voor maatregelen in en rondom Natura 2000-gebieden.

De Natura 2000-gebieden zijn beschermde gebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen door het Rijk vastgelegd. Voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden natuurdoelanalyses (NDA's) opgesteld, die de huidige toestand en de benodigde herstelmaatregelen aangeven. Voor vijf Natura 2000-gebieden is de provincie Utrecht voortouwnemer: Botshol, Uiterwaarden Lek, Zouweboezem, Kolland en Overlangbroek en Binnenveld.

Voor de vijf gebieden zijn NDA's opgesteld en heeft de Ecologische Autoriteit (EA) onafhankelijk advies gegeven. In overleg met onze gebiedspartners en de betrokken grondeigenaren worden in 2026 aan de hand van de NDA's en het advies van de EA de Natura 2000-beheerplannen voor de periode 2027-2033 opgesteld.

Meer informatie op de pagina over Natura 2000-gebieden

10. Overgangsgebieden rond Natura 2000-gebieden

We nemen in overgangsgebieden rond Natura 2000-gebieden maatregelen op het gebied van ecologische verbindingen, het watersysteem, natuuromvang en stikstof.

In het UPLG definiëren we een overgangsgebied als ‘de zone rondom het Natura 2000-gebied die nodig is om de instandhoudingsdoelen van de aangewezen soorten en habitats te halen’. 

Ook het Rijk heeft in juni 2026 dergelijke overgangsgebieden aangekondigd. De komende periode stemmen we de verdere invulling hiervan af, waarbij ons uitgangspunt is dat de benodigde omvang van een overgangsgebied per thema kan verschillen.

Uiteindelijk wordt per overgangsgebied een integrale uitwerking opgesteld met alle herstelmaatregelen, een concreet tijdpad en de benodigde besluitvorming. Eventuele aanvullende maatregelen kunnen vervolgens worden meegenomen in de actualisatie van het UPLG in 2028. Voor overgangszones gericht op hydrologie is aanvullend onderzoek nodig. Deze onderzoeken worden in 2026 en 2027 uitgevoerd.

Meer informatie op de pagina over Natura 2000-gebieden

11. Generieke normering stikstof

In het definitieve UPLG handhaven wij het stikstofdoel uit het Ontwerp-UPLG.

  • De generieke stikstofnorm voor grondgebonden veehouderij is: 42 kg NH3/ha/jr die in 2035 gerealiseerd moet zijn. Deze norm treedt op 1 januari 2029 alleen in werking als onvoldoende provinciebrede ammoniakreductie is bereikt.
  • De effecten van de stikstofmaatregelen worden bekeken over een vijfjarig gemiddelde. 
  • Nieuwe stallen voor niet-grondgebonden veehouderij - bijvoorbeeld varkens, kippen en geiten -  moeten 90-95 procent stikstof afvangen voordat de lucht de stal verlaat, te realiseren in 2035. Voor bestaande stallen geldt een norm van 80 procent.

De reductiemaatregelen borgen we via de Omgevingsverordening provincie Utrecht. De wijziging van de Omgevingsverordening wordt behandeld in Provinciale Staten in november 2026 voor de vaststelling hiervan.

Monitoring van doelbereik vindt plaats via de KringloopWijzer. De rekenregels van de Kringloopwijzer zullen komende jaren door het Rijk doorontwikkeld worden. Wij zetten ons in voor zo objectief mogelijke rekenregels, die niet nadelig mogen zijn voor bedrijven met veel weidegang.

In maatregelpakket 3 ‘Landbouw’ is geld beschikbaar om agrarische ondernemingen te ondersteunen bij het doen van investeringen om te voldoen aan de generieke normering. 

Meer informatie op de pagina over stikstof en vergunningen

12. Gebiedsgerichte stikstofreductie

In en in een zone van 250 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden gelden mestbeperkingen.

Het UPLG legt een stikstofreductiezone van 250 meter rond 6 van de 9 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Binnen Natura 2000 gebieden (habitatrichtlijn deel) geldt een bemestingsverbod, tenzij de mest nodig is voor de natuur. De inwerkingtreding van de stikstofzone uit het Ontwerp-UPLG is begin 2029. Voor essentiële percelen met schadeloosstelling treedt deze, evenals het bemestingsverbod binnen de begrenzing van Habitatrichtlijngebieden in 2031 in werking, om het verwervingsproces niet verder te belasten dan noodzakelijk.

Voor fruitteelt gelden enkele uitzonderingen. Voor bestaande fruitboomgaarden geldt geen beperking op het gebruik van kunstmest. Biologische fruitteelt wordt voor bestaande boomgaarden uitgezonderd van de zoneringsmaatregel.

Voor agrarische ondernemingen die  te maken krijgen met gebiedsgerichte maatregelen maakt de provincie Utrecht beleidsregels. Met deze beleidsregels wil de provincie Utrecht transparantie bieden hoe de nadeelcompensatieregeling eruit komt te zien en hoe de hoogte per geval wordt bepaald.

Daarnaast bieden we, als onderdeel van het ‘Ondernemersprogramma landbouw’, begeleiding aan ondernemers die een aanvraag willen indienen.

Meer informatie op de pagina over stikstof en vergunningen

13. Realisatie NNN in combinatie met realisatie van de indicatieve VHR- en bosarealen

We realiseren de verschillende natuuropgaven door deze zo veel mogelijk ruimtelijk te combineren. Voor het behalen van de natuurdoelstellingen zijn 'essentiële percelen natuur' aangewezen.

In de voorgestelde wijziging van de Omgevingsvisie is de ambitie voor realisatie van het NNN verschoven van 2027 naar 2030 voor gebieden waar de natuurfunctie al is veranderd. Voor de realisatie van de resterende hectares is de ambitie om in 2035 klaar te zijn - in plaats van 2027. Daarbij zetten we ons maximaal in op eerdere realisatie.

Een goed voorbeeld is de natuurontwikkeling in Marickenland bij Vinkeveen waar 150 hectare weideland, moeras en bloemrijk grasland is aangelegd. Het gebied vormt nu een belangrijke verbinding tussen omliggende natuurgebieden: de Vinkeveense en Nieuwkoopse plassen en Natura 2000-gebied Botshol. Bezoekers kunnen dankzij wandelroutes en een natuurspeelplaats volop genieten van dit veelzijdige gebied.

Meer informatie op de pagina over natuurontwikkeling Marickenland

14. Kwaliteitsverbetering van bestaande natuur

We richten ons op kwaliteitsverbetering van plant- en diersoorten en hun leefgebieden. Daarnaast werken we aan herstel van de bossen op de Heuvelrug.

Als provincie spannen we ons al jaren in om bestaande bossen vitaal te houden en nieuwe bossen aan te leggen. Binnen het UPLG ligt de focus op het revitaliseren van de bosgebieden op de Utrechtse Heuvelrug.

De provincie heeft daarom in oktober 2025 de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) opengesteld. Met deze regeling van 1,2 miljoen euro kunnen boseigenaren op de Utrechtse Heuvelrug investeren in natuurherstel. Inmiddels is voor een groot aantal percelen subsidie toegekend. Daardoor kunnen eigenaren deze herfst aan de slag met de aanplant van jonge bomen en struiken en met maatregelen die bodemverzuring tegengaan en het bodemleven versterken.

Meer informatie in artikel over bos op de Utrechtse Heuvelrug

15. Biodiversiteit in agrarisch gebied

We werken aan uitbreiding van het areaal waar natuur- en landschapsbeheer wordt uitgevoerd en aan uitbreiding van groenblauwe dooradering en agroforestry.

Het agrarisch landschap is van groot belang als leefgebied en foerageergebied van een groot aantal plant- en diersoorten. Met natuurinclusieve landbouw, uitbreiding van groenblauwe dooradering en agroforestry en via uitbreiding van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) zetten we ons in om de biodiversiteit in het agrarisch gebied te verhogen.  

In het UPLG hebben we het doel vastgelegd om in 2050 tien procent van het landelijk gebied uit groenblauwe dooradering te laten bestaan. De provincie stelt hiervoor subsidies beschikbaar waarmee eigenaren van landbouwgrond, zowel boeren als particulieren, nieuwe landschapselementen kunnen aanleggen. Bureau NEO onderzocht in opdracht van de provincie hoe de groenblauwe dooradering over de provincie is verdeeld en waar voor de komende jaren nog kansen liggen.

In 2017 is het samenwerkingsverband Platform Kleine Landschapselementen opgericht op initiatief van de provincie Utrecht. Inmiddels is het Platform uitgegroeid van 9 naar 32 partijen, en is de naam gewijzigd in Platform Groenblauwe Dooradering. Deze naam sluit beter aan bij het doel om ook meer aandacht te besteden aan de kwaliteit van oevers en sloten. 

16. Vermindering uitstoot broeikasgassen uit veenbodems

In aansluiting op de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse veenweiden (2022) richten we ons op het verhogen van de grondwaterstand in de zomer tot gemiddeld -40 centimeter.

In het UPLG zetten we in op het verhogen van de grondwaterstanden in veenweidegebieden om bodemdaling te remmen en de uitstoot van CO₂ te verminderen. Daarbij streven we naar een gemiddelde grondwaterstand in de zomer van 40 centimeter onder maaiveld. De uitwerking hiervan vraagt maatwerk per gebied.

In de Taskforce Veenweiden wordt per deelgebied verkend welke maatregelen passend zijn, rekening houdend met landbouw, waterbeheer en gebiedskenmerken. Mogelijke maatregelen, zoals peilaanpassingen en waterinfiltratie, worden verder onderzocht. De Taskforce werkt aan een prioritering om te kijken waar op termijn welke maatregel ingezet kan worden. Mogelijke peilwijzigingen die hier uit kunnen volgen, worden vastgesteld door het waterschap, dat hierover een peilbesluit neemt na een integrale belangenafweging.

Meer informatie op de pagina over bodemdaling

17. perspectief voor landbouw

Binnen onze mogelijkheden zullen wij de agrarische sector ondersteunen bij de grote aanpassingen waar zij voor staat.

Met het UPLG nemen we onze verantwoordelijkheid voor nationale en Europese afspraken en zetten we stappen richting natuurherstel, schoner water, een gezondere bodem en meer perspectief voor ondernemers. Dat dit perspectief verdere uitwerking vraagt in de vorm van passende maatregelen, realiseren we ons. Tegelijkertijd zijn er al instrumenten beschikbaar en kunnen agrariërs en particuliere grondeigenaren terecht bij de Vraagbaak Landbouw via vraagbaaklandbouw@provincie-utrecht.nl. Het UPLG markeert daarmee niet het eindpunt, maar juist het begin van de volgende fase van uitvoering.

Daarnaast vormt het UPLG een belangrijke basis voor de afwijzing van handhavings- en intrekkingsverzoeken.

Meer informatie op de pagina over landbouw